Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.4.5
5.6.4.5 Grondslag van het verweer bij onverschuldigde betalingen
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501216:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Eerder heb ik betoogd dat de grondslag voor het verweer wordt gevormd door art. 6:207. Zie mijn noot onder Rb. Haarlem 23 maart 2005, JOR 2005/261. Zoals hierboven bleek, kent het artikel de ontvanger van het goed binnen de grenzen van de redelijkheid een vergoeding toe voor uitgaven die zouden zijn uitgebleven als hij het goed niet had ontvangen en hij ook geen rekening hoefde te houden met een verplichting tot teruggave. In de parlementaire geschiedenis is vooral gedacht aan kosten van onderhoud. Ook in de literatuur wordt het artikel ruim uitgelegd. Zo ziet het artikel volgens Hartkamp en Sieburgh ook op uitgaven die gedaan zijn met geld dat onverschuldigd is betaald. Hartkamp en Sieburgh nemen aan dat de ontvanger zijn schuld uit onverschuldigde betaling kan verrekenen met de vordering die hij heeft tot vergoeding van de gemaakte uitgaven. Zie: Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 440. Zie over deze bepaling ook Scheltema 1997, p. 184, die een vergelijkbaar verweer vooral baseert op art. 6:2 (zie Scheltema 1997, p. 156); zie ook Verhagen 2004 p. 42. Toch kom ik terug van mijn eerder verdedigde opvatting. Art. 6:207 als grondslag voor het verweer heeft als nadeel dat het alleen expliciet bepaalt dat uitgaven moeten worden vergoed. Andere vormen van vermogensvermindering, zoals gederfde inkomsten, worden niet genoemd. Het artikel houdt bovendien geen rekening met uitgaven waarmee goederen of diensten zijn verkregen, die nog een waarde hebben op het moment dat de ontvanger tot terugbetaling wordt aangesproken of rekening moet gaan houden met een verplichting tot terugbetaling. De ontvanger dient zich in zoverre niet te kunnen beroepen op het verweer.
Verder kan worden gedacht aan art. 6:2, waar in lid 1 is bepaald dat schuldeiser (de presterende partij) en een schuldenaar (de ontvanger) zich volgens de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar dienen te gedragen; de redelijkheid en billijkheid vullen de expliciet in de wet opgenomen regels aan. Men kan daarom zeggen dat de regel van art. 6:203 wordt aangevuld met een verweermiddel voor de ontvanger. In het tweede lid bepaalt art. 6:2 verder dat een regel die krachtens de wet tussen hen geldt niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Men kan daarom ook zeggen dat de regel dat een onverschuldigd verrichte prestatie moet worden teruggegeven, wordt beperkt. Zie over het hybride karakter van de redelijkheid en billijkheid: Snijders 2007.
Wat is de grondslag van een algemeen verweer dat de verrijking – die het gevolg is van de ontvangst van een prestatie – is verminderd? Voor zover de wet niet expliciet in artikel 6:204 en 6:207 voorziet in een grondslag voor het verweer, wordt de grondslag naar mijn mening gevormd door een ruime (of analogische) toepassing van artikel 6:212 lid 2.1 In dit artikel is bepaald dat de verrijking buiten beschouwing wordt gelaten voor zover de verrijking is verminderd zonder dat de vermindering aan de verrijkte kan worden toegerekend.2 Het tweede lid dient naar mijn mening ook betrekking te hebben op verrijkingen die door prestaties zijn ontstaan. De opvatting dat artikel 6:212 lid 2 de grondslag vormt voor het verweer in de gevallen die niet door artikel 6:204 en 6:207 worden bestreken, heeft als voordeel dat artikel 6:212 lid 3 tevens van toepassing is. Het derde lid bepaalt dat bij de vaststelling van de vermindering mede rekening wordt gehouden met uitgaven die zonder de verrijking zouden zijn uitgebleven. Daarmee bestaat een expliciete basis voor het verweer in gevallen dat uitgaven zijn gedaan.
Ten slotte merk ik ter verantwoording nog het volgende op. In het vorige hoofdstuk heb ik betoogd dat artikel 6:212 beperkt moet worden opgevat, omdat een te ruimhartige benadering ten aanzien van het ontstaan van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan leiden tot een doorkruising van het systeem van het Burgerlijk Wetboek. Het ontstaan van deze vordering is geregeld in artikel 6:212 lid 1. Het verweer is geregeld in artikel 6:212 lid 2. Ik meen dat een beperking van het toepassingsbereik van artikel 6:212 lid 1 tot inbreuken geen beletsel vormt voor een ruime (of analogische) toepassing van artikel 6:212 lid 2 op gevallen waarin niet een inbreuk is gepleegd, maar een prestatie is verricht. Een ruime (of analogische) toepassing van artikel 6:212 lid 2 leidt er immers niet toe dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in te veel gevallen ontstaat.