Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/11.4.2
11.4.2 Rechtspraak over abnormale vertraging
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197408:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uiteenzetting over het door het EHRM gehanteerde eigendomsbegrip en hoe hij omgaat met belastinvorderingen verwijs ik naar par. 4.3.
EHRM 3 juli 2003, nr. 38746/97 (Buffalo Srl en liquidation c. Italie), par. 31.
Zie bijvoorbeeld EHRM 9 maart 2006, nr. 10162/02 (Eko-Elda AVEE v. Greece), par. 29. Een niet-fiscaal arrest waarin een vergelijkbare overweging voorkomt is EHRM 9 juli 1997, nr. 19263/92 (Akkuş v. Turkey), par. 29.
EHRM 9 maart 2006, nr. 10162/02 (Eko-Elda AVEE v. Greece), par. 29.
EHRM 9 maart 2006, nr. 10162/02 (Eko-Elda AVEE v. Greece), par. 30.
EHRM 3 juli 2003, nr. 38746/97 (Buffalo Srl en liquidation c. Italie), par. 32: Par conséquent, l’obligation financière née du prélèvement d’impôts ou de contributions peut léser la garantie consacrée par cette disposition si elle impose à la personne ou à l’entité en cause une charge excessive ou porte fondamentalement atteinte à leur situation financière.
Buffalo Srl en liquidation was een onderneming in liquidatie met aanzienlijke belastingvorderingen op de staat. Het probleem van Buffalo was dat Italië veel te laat overging tot betaling van de verschuldigde bedragen. Dit had zeer nadelige gevolgen voor Buffalo, omdat de liquidatie in afwachting van de betaling door de staat niet kon worden voltooid en er in de tussentijd financiering moest worden gezocht voor nog openstaande schulden, waarbij rente werd belopen. Uiteindelijk duurde het 5-10 jaar voordat Italië de belasting terugbetaalde aan Buffalo. Op het moment van terugbetaling gaf Italië een rentevergoeding, berekend op basis van enkelvoudige rente. Buffalo moest in de periode dat zij wachtte op haar geld al wel belasting betalen over de rentevergoeding.
Eko-Elda AVEE v. Greece had in 1987 op een voorlopige aanslag een bedrag aan inkomstenbelasting vooruit betaald. Later bleek zij in het betreffende jaar een verlies te hebben geleden, waardoor er geen inkomstenbelasting verschuldigd was. De belanghebbende richtte zich tot de nationale rechter met het verzoek (i) om teruggaaf van de op de voorlopige aanslag betaalde belasting, en (ii) een vergoeding van rente vanaf het moment dat zij de belasting had afgedragen aan de staat. Nog voordat de Griekse rechter in eerste aanleg uitspraak had gedaan, kwamen de belastingautoriteiten aan het verzoek om terugbetaling van belasting tegemoet. De nationale procedure ging daarna alleen nog over de rentevergoeding. Ten tijde van de betaling van de belasting in 1988 voorzag de Griekse wet nog niet in de mogelijk van vergoeding van rente. Daarin kwam verandering op 4 maart 1993, toen een wet werd gepubliceerde die bepaalde dat de staat rente zal vergoeden als belasting onverschuldigd is betaald. Voor al lopende zaken zou de rentevergoeding worden berekend vanaf zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de wet (derhalve 3 september 1993). De belanghebbende procedeerde in Griekenland tot en met de hoogste rechterlijke instantie over de rentevergoeding. Daar werd zij definitief in het ongelijk gesteld, omdat de wet van 4 maart 1993 volgens de Griekse rechter niet van toepassing was ten aanzien van publiekrechtelijke vorderingen en er vóór 4 maart 1993 bovendien géén verplichting bestond voor de staat om rente te vergoeden. Op dit punt verschilt Eko-Elda AVEE dus van Buffalo, die wel een rentevergoeding ontving.
Zowel Buffalo als Eko-Elda AVEE richtten zich tot het EHRM met het verzoek om een schadevergoeding in verband met de trage terugbetaling van belasting. In beide zaken beschouwt het EHRM de teruggaaf van belasting, waarvan niet in geschil was dat daar op basis van de nationale belastingwetgeving recht op bestond, als een possession in de zin van artikel 1 Eerste Protocol.1 Doordat de staat de belasting pas na vele jaren terugbetaalt aan de belastingplichtige, vindt een inmenging plaats in de eigendom van de belastingplichtige.2 De inmenging wordt door het EHRM – evenals in de vorige paragraaf besproken zaken over het niet erkennen van een recht op teruggaaf – onderzocht onder de algemene genotsregel van de eerste alinea van artikel 1 Eerste Protocol. In Buffalo en Eko-Elda AVEE besteedt het Hof geen aandacht aan de lawfulness-toets en gaat meteen over tot beoordeling van de fair balance. Ook dat is goed verklaarbaar, aangezien er met de belastingwet op basis waarvan de initiële heffing van belasting plaatsvond op zich niets mis was. Een belastingplichtige die meent recht te hebben op een vergoeding van rente in verband met een claim op de belastingdienst zal bovendien het bestaan van die claim en daarmee de lawfulness van de belastingwetgeving waarschijnlijk niet ter discussie stellen. Datzelfde geldt uiteraard voor de staat, zodat er voor het EHRM ook geen aanleiding bestond om er iets over te zeggen.
In diverse arresten heeft het EHRM duidelijk gemaakt dat de staat rente moet vergoeden in geval van vertraagde uitbetaling van verschuldigde bedragen, omdat anders “the adequacy of compensation would be diminished”.3 Volgens het Hof is “the payment of interest […] intrinsically linked to the State’s obligation to make good the difference between the amount owed and the amount ultimately received by the creditor”.4 Het achterwege laten van een rentevergoeding bij terugbetaling van belasting kan daarom leiden tot een schending van artikel 1 Eerste Protocol. Dat is echter niet zonder meer het geval. Daarvoor is nodig dat de fair balance is geschonden. Daarvan is volgens het EHRM sprake “if the conditions for a refund impose an excessive burden on the person or entity concerned or fundamentally interfere with their financial security.”5 Deze maatstaf is bekend uit vele andere arresten over belastingen, met als bijzonderheid dat het Hof de excessieve last in het hier geciteerde arrest Eko-Elda AVEE koppelt aan de voorwaarden voor teruggaaf (“the conditions for a refund”) en niet aan de hoogte van de verschuldigde belasting. Ik begrijp deze overweging aldus, dat een rentevergoeding door het Hof wordt gezien als een “condition for a refund” en dat als het ontbreken van een dergelijke vergoeding leidt tot een excessieve last of als er daardoor een fundamentele inbreuk wordt gemaakt op de financiële positie van de betrokkene, er sprake is van een schending van de fair balance. In Buffalo heeft het Hof het overigens niet over “the conditions for a refund”, maar – in lijn met zijn vaste rechtspraak – over de financiële verplichting (l’obligation financière) die in het kader van de fair balance toets beoordeeld moet worden.6 Overigens verwijst het Hof in Eko-Elda AVEE – ondanks de enigszins afwijkende formulering van de maatstaf – naar zijn arrest in de Buffalo-zaak en gebruikt daarbij het woord “see”. Dat duidt er op dat het Hof niet heeft bedoeld om in Eko-Elda AVEE een andere norm te hanteren dan in Buffalo.