Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.5.3:5.5.3 Een andere sanctie dan rechtsverval op schending van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW?
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.5.3
5.5.3 Een andere sanctie dan rechtsverval op schending van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW?
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973674:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de wetgever bij art. 7:23 lid 1 BW uitdrukkelijk rechtsverval als sanctie heeft genoemd, bestaan goede argumenten voor relativering van de ‘straf’ op schending van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. Uit de bevindingen ten aanzien van het karakter van Obliegenheiten vloeit voort dat hantering van een strenge straf als rechtsverval niet zonder meer past bij het proportionele karakter dat het fenomeen Obliegenheit kenmerkt. De Hoge Raad relativeert de suggestie van rechtsverval door de wetgever in het kader van rechtsverwerking. Dit terwijl rechtssystematisch veel te zeggen is voor gelijkschakeling van de sanctie van de wettelijke klachtplichten met rechtsverwerking, omdat rechtsverval naar de huidige stand van het recht op basis van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid in beginsel niet mogelijk is. Tot slot zouden de klachtplichten meer in balans kunnen zijn met een ruimer sanctie-arsenaal. Naar de huidige stand van het recht worden problemen steeds opgelost in de bepaling van de klachttermijn. Dat staat echter ook op gespannen voet met het Obliegenheit-karakter van de klachtplichten en bovendien met de tekst van de wet.
Ik bekeek tot slot wat voor gevolgen relativering van de sanctie voor de toepassingsvereisten van de klachtplichten zou kunnen hebben. Ik concludeerde dat de panelen zouden kunnen gaan schuiven met betrekking tot de bepaling van de klachttermijn. Relativering van de sanctie op art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW stelt rechters in staat om minder krampachtig naar een redelijke oplossing te zoeken binnen de klachttermijn. Het stelt hen namelijk in aanvulling daarop in de gelegenheid om met een op maat gesneden sanctie het specifieke nadeel weg te nemen dat in een gegeven geval door het stilzitten van de schuldeiser is veroorzaakt. Dat kan tot een meer gebalanceerde toepassing van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW leiden. Een toepassing die bovendien beter aansluit bij de bedoeling van de klachtplichten: de schuldeiser aansporen om niet stil te zitten op het specifieke moment dat spreken van hem wordt verwacht en de risico’s die zich als gevolg van dat stilzitten realiseren voor zijn rekening te laten.