Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.4.1
3.4.1 Vaststellen onwaardigheid en goede trouw
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859256:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 1.6.3.
Vgl. Blokland 2006, p. 23 die nog opmerkt dat een notaris geen toegang heeft tot de justitiële documentatie. Hetzelfde geldt voor belanghebbenden bij een nalatenschap.
In gelijke zin Jonker met betrekking tot derdenbescherming bij art. 1:418 BW waarbij hij opmerkt: ‘Ook deze beperking zal tegen derden kunnen worden ingeroepen, maar hier zullen de derden meestal een beroep op hun goede trouw kunnen doen omdat zij de verkwisting of de bovenmatigheid niet zullen hebben gekend noch hebben behoren te kennen.’, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:418 BW, aant. 3 (online, bijgewerkt tot en met 1 augustus 2023).
Vgl. Van der Burght & Ebben 2004, p. 30.
Artikel 4:3 lid 2 BW hanteert als peilmoment voor derdenbescherming de vaststelling van de onwaardigheid. Deze woordkeuze is opvallend, omdat onwaardigheid van rechtswege werkt. Er vindt geen rechterlijke vaststelling plaats van onwaardigheid.1Artikel 4:3 BW heeft hiermee een discussie die speelde onder het oude recht nadrukkelijk beslecht.2
In de parlementaire geschiedenis wordt verder geen aandacht geschonken aan deze keuze. Er wordt gesproken over een verdeling die later ongeldig kan zijn. Het voorbeeld dat de commissie erfrecht in die lijn schetst is een situatie waarin na de verdeling blijkt dat een verkrijger onwaardig is. Niet wordt duidelijk wat onwaardig blijken inhoudt. Gaat het erom dat na het verkrijgen van de rechten pas aan de voorwaarden van onwaardigheid wordt voldaan of gaat het erom dat na het verkrijgen van de rechten duidelijk wordt dat sprake is van onwaardigheid? In dat laatste geval biedt artikel 4:3 lid 2 BW ook bescherming als ten tijde van het verkrijgen van de rechten reeds sprake is van onwaardigheid, maar dit nog niet aan het licht is getreden. Deze laatste, ruimere opvatting lijkt mij juist. Dat klemt te meer nu onwaardigheid niet door een rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld waardoor voor betrokkenen niet altijd kenbaar c.q. duidelijk zal zijn dat van onwaardigheid sprake is. Dat geldt niet alleen voor derden, maar ook voor erfgenamen. Het is voorstelbaar dat op het moment van het openvallen van de nalatenschap reeds aan de voorwaarden van onwaardigheid wordt voldaan, maar dat dit pas later voor de erfgenamen duidelijk wordt.3 Gelet hierop dient artikel 4:3 lid 2 BW naar mijn mening ook te gelden voor rechten van derden verkregen terwijl zij niet wisten of behoorden te weten dat van onwaardigheid sprake is. Kortweg is dan de slotsom dat de derde te goeder trouw moet zijn.4
Wist de derde dat van onwaardigheid sprake is of dat de erfrechtelijke verkrijger mogelijk aan de voorwaarden daarvan voldoet bijvoorbeeld omdat een strafzaak aanhangig is,5 dan wel behoorde hij dat te weten dan is van goede trouw geen sprake. De toets ‘weten of behoren te weten’ valt weg onder de goede trouw. Dat brengt mee dat de formulering van artikel 4:3 lid 2 BW volledig kan aansluiten bij artikel 1:422 BW. De bepaling luidt dan als volgt:
Rechten door derden te goeder trouw verkregen worden geëerbiedigd. In geval echter goederen om niet zijn vervreemd, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.
Voor de beoordeling of de derde te goeder trouw is, bevat artikel 4:187 BW nog een belangrijke regel. Hij die is afgegaan op de in de verklaring van erfrecht vermelde feiten, geldt te dezen aanzien als te goeder trouw, aldus het eerste lid van deze bepaling. Dit is anders indien degene die op de verklaring van erfrecht is afgegaan, wist of door grove nalatigheid niet wist, dat de inhoud van de verklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt (lid 3). In dat laatste geval wist of behoorde de derde dus te weten dat de verklaring van erfrecht niet correct is. In paragraaf 3.5 wordt nader stilgestaan bij artikel 4:187 BW.