Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.1
10.1 Inleiding
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS374154:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
De regels van internationaal gewoonterecht (volkenrecht) maken onderdeel uit van de communautaire rechtsorde en de Unie dient zijn bevoegdheden in overeenstemming hiermee uit te oefenen. Dit is onder meer bevestigd in HvJ EG 24 november 1992, zaak C-286/90 (Poulsen), r.o. 7 en HvJ EG 16 juni 1998, zaak C-162/96 (Racke), r.o. 45-46. Zie hierover o.a. K. Lenaerts en P. van Nuffel, Europees Recht, Antwerpen: Intersentia 2011, p. 579 en J.H. Jans, S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven (red.), Europeanisation of Public Law, Second Edition, Groningen: Europa Law Publishing 2015, p. 10.
Zie in dit verband art. 5 lid 3 VEU waarin dit beginsel is vastgelegd. Op grond van deze bepaling ‘treedt de Unie, op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt’. In de literatuur is benoemd dat met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel in de praktijk slechts een marginale juridische toetsing plaatsvindt door het Hof van Justitie en het de facto met name een politieke afweging is van de Uniewetgever (die afdoende moet worden gemotiveerd). Zie J.H. Jans, S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven (red.), Europeanisation of Public Law, Second Edition, Groningen: Europa Law Publishing 2015, p. 42-43. Vergelijk ook: K. Lenaerts en P. van Nuffel, Europees Recht, Antwerpen: Intersentia 2011, p. 97-98.
Het bereiken van een dergelijke onderlinge afstemming van deze rechtsgebieden acht ik momenteel niet realistisch. Zie in dit verband ook paragraaf 1.3 en 7.4. De gevolgen voor de premieheffing worden hierna niet nader besproken.
In het vorige hoofdstuk heb ik betoogd dat, teneinde het vrije verkeer van werknemers te ondersteunen, gelijkheid op de werkvloer zou moeten worden gecreëerd ten aanzien van de fiscale behandeling van inwoners en niet-inwoners. In afwijking van het huidige Unierecht zouden belastingplichtigen naar mijn mening dan ook gerechtigd moeten zijn tot dezelfde fiscale voordelen, ongeacht of zij (i) binnen of buiten een bepaalde lidstaat wonen en (ii) onafhankelijk van de omstandigheid dat zij, kort gezegd, hun inkomen voor het grootste deel of nagenoeg geheel in de desbetreffende staat verwerven.
In dit hoofdstuk wordt, met inachtneming van deze uitgangspunten, een voorstel gedaan om binnen de EU ‘woonplaatsonafhankelijke belastingheffing naar draagkracht’ te realiseren. Hierbij is het mijn doelstelling om te komen tot Uniewetgeving waarbij de in hoofdstuk 9 geschetste wenselijke situatie zoveel mogelijk wordt bereikt (arbeidimportneutraliteit), waarbij de volkenrechtelijke kaders voor het (inter)nationale belastingrecht in acht worden genomen (deel I, hoofdstuk 2) en tevens wordt voldaan aan de door het Hof van Justitie gewezen rechtspraak (deel II, hoofdstuk 3 tot en met 8). Het te introduceren secundaire Unierecht dient immers in overeenstemming te zijn met het volkenrecht1 en (de uitleg van) het primaire Unierecht, waaronder de verkeersvrijheden. Bij het voorstel zal ik tevens rekening houden met het subsidiariteitsbeginsel2; de doelstelling is dan ook nadrukkelijk niet om algehele harmonisatie van de loon- en inkomstenbelastingstelsels van de lidstaten te bereiken. De focus ligt op het zetten van concrete stappen naar een non-discriminatoire fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers binnen de bestaande stelsels.
Het voorstel heeft geen betrekking op de heffing van socialezekerheidsbijdragen. Ten aanzien hiervan zou Verordening (EG) 883/2004 van toepassing blijven. Het uniformeren van de toewijzingsregels voor de belasting- en premieheffing wordt in mijn voorstel tot secundaire Uniewetgeving niet beoogd.3