Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.4
10.4 Richtlijn
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS391108:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
De gewone wetgevingsprocedure van art. 114 VWEU (waarbij verordeningen en richtlijnen met gekwalificeerde meerderheid kunnen worden aangenomen) geldt namelijk niet voor fiscale bepalingen. Zie in dit verband art. 114 lid 2 VWEU. Zie over de wetgevingsprocedure uitgebreider: K. Lenaerts en P. van Nuffel, Europees Recht, Antwerpen: Intersentia 2011, p. 423-454.
De Europese Commissie heeft overigens aangekondigd met een voorstel te komen om met betrekking tot bepaalde onderdelen van belastingwetgeving over te stappen op de gewone wetgevingsprocedure (waarbij een gekwalificeerde meerderheid voldoende is). Zie de intentieverklaring bij de Staat van de Unie van 12 september 2018 van voorzitter Juncker, p. 7. Te raadplegen via: https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/soteu2018-letter-of-intent_nl.pdf. Deze wijziging in de wetgevingsprocedure kan worden gerealiseerd op basis van art. 48 lid 7 VEU. Hiervoor is echter wel onder meer unanimiteit in de Europese Raad en de nationale parlementen vereist.
In theorie zou in situaties waarin een dispariteit tussen de fiscale bepalingen van de lidstaten leidt tot een distorsie van de interne markt, en de betrokken lidstaten deze distorsie niet opheffen na overleg met de Europese Commissie, de Europese Commissie op grond van art. 116 VWEU een richtlijn kunnen voorstellen met toepassing van de gewone wetgevingsprocedure. In de praktijk heeft de Europese Commissie deze alternatieve route tot op heden niet gebruikt. Zie P.J. Wattel, O.C.R. Marres & H. Vermeulen (red.), Terra/Wattel European Tax Law. Volume 1 – General Topics and Direct Taxation (Fiscale Handboeken nr. 10), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 37.
Op grond van art. 20 lid 2 VEU.
Naar mijn mening is het wenselijk dat nader (secundair) Unierecht wordt voorgesteld op grond waarvan de hiervoor beschreven woonplaatsonafhankelijke belastingheffing naar draagkracht kan worden gerealiseerd binnen de EU. Aangezien het hierbij gaat om fiscale bepalingen zou deze nadere Uniewetgeving in de vorm van een richtlijn moeten worden vormgegeven. Dit volgt uit art. 114 en 115 VWEU.1 Op grond van art. 115 VWEU geldt dat de Raad een dergelijke richtlijn, na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met unanimiteit (alle lidstaten) moet vaststellen.2, 3Hoewel tevens de mogelijkheid bestaat om met een kleiner aantal lidstaten een nauwere samenwerking als bedoeld in art. 20 VEU aan te gaan (ten minste negen lidstaten)4, is voor het goed functioneren van het voorstel EU-brede implementatie in dit geval echter vrijwel onontkoombaar.
Op grond van art. 288 VWEU is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, maar wordt aan de nationale instanties de bevoegdheid gelaten de vorm en middelen te kiezen. Gelet hierop zal de tekst van een richtlijn dan ook meer generiek van aard zijn, waarbij de lidstaten de ruimte hebben om bepaalde technische details zelf nader in te vullen. Dit is niet anders met betrekking tot mijn voorstel inzake woonplaatsonafhankelijke belastingheffing naar draagkracht.
10.4.1 Voormalige conceptrichtlijn uit 197910.4.2 Eigen richtlijnvoorstel: woonplaatsonafhankelijke belastingheffing naar draagkracht