Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.2.5
5.3.2.5 Oproeping getuige is niet noodzakelijk
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Ook de advocaat-generaal bij het gerechtshof is gerechtigd wegens het ontbreken van noodzakelijkheid getuigenverzoeken af te wijzen (art. 410 lid 3 en 414 lid 2 Sv).
Niet helemaal duidelijk is of hiermee alleen wordt gedoeld op een ondervraging ter zitting bij hetzelfde gerecht of dat in hoger beroep een ondervraging in eerste aanleg ook in aanmerking moet worden genomen.
In dit licht ontgaat mij de toegevoegde betekenis van artikel 418 lid 3 Sv, dat bepaalt dat ter zitting in hoger beroep opgegeven getuigen mogen worden afgewezen, wanneer die oproeping niet noodzakelijk wordt geacht. Deze bepaling is overigens alleen van toepassing wanneer de verdachtehoger beroep heeft ingesteld. Heeft de officier van justitie dat gedaan, dan kan een getuigenverzoek van de verdachte echter nog steeds worden afgewezen wegens gebrek aan noodzaak, maar dan op grond van artikel 315 jo. 415 Sv. Mij dunkt dat deze ingewikkelde constructie niet noodzakelijk is.
HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4059; HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9964, HR 16 september 2008, NJ 2008, 513; HR 31 januari 2006, NJ 2006, 124.
Vroeger bevatte deze bepaling in plaats van ‘niet noodzakelijk’ de woorden ‘redelijkerwijs niet noodzakelijk’. In HR 19 juni 2007, NJ 2007, 626 bepaalde de Hoge Raad dat ‘redelijkerwijs niet noodzakelijk’ geen andere betekenis had dan ‘niet noodzakelijk’. Zie over dit arrest ook Duker 2008, p. 60-62. Bij wet van 26 november 2009, Stb. 2009, 525 is het woord ‘redelijkerwijs’ geschrapt. Dat gebeurde ook in de artikelen 410 lid 3 en 414 lid 2 Sv.
Wanneer een getuige bij appèlschriftuur is opgegeven, is in beginsel het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing. Wordt de getuige pas later opgegeven, dan wordt het verzoek beoordeeld op grond van het noodzakelijkheidscriterium. Zie daarover Brouwer 2005, Haverkate 2007, Janssen & Hamer 2003, Jongeling 2003, Malewicz 2006, Malewicz & Hamer 2007, Mannheims 2007, Röttgering 2004, Scheele 2011 en Souren 2006. Zie ook HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441.
Den Hartog 2001, p. 326.
Toegepast in HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL4055 en HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8947. Zie voor een uitzondering HR 7 oktober 2008, NJ 2008, 542, r.o. 4.3.2. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat weliswaar geen beslissing was genomen op het getuigenverzoek, maar het gerechtshof het verzoek alleen maar had kunnen afwijzen, aangezien het punt waarover de getuige volgens de verdediging ondervraagd zou moeten worden niet relevant was voor de door de rechter te nemen beslissing.
Kamerstukken II 2003/04, 29 254, nr. 3 (MvT), p. 14.
HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.8.
Garé & Mevis 2000, p. 81-83.
In hoger beroep kan een getuigenverhoor ook noodzakelijk worden geacht ter beantwoording van de vraag of de verdachte kan worden ontvangen in het hoger beroep. Bij verstekzaken kan daarbij immers van belang zijn op welk moment de verdachte op de hoogte is geraakt van het vonnis (art. 408 lid 2 Sv). Zie daarover HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3297.
HR 14 september 1992, NJ 1993, 54, r.o. 7.2.
Zie daarover ook Garé & Mevis 2000, p. 83-84. Aangenomen mag worden dat de wetgever hierbij slechts de situatie op het oog heeft gehad dat de getuigenverklaring van beslissende betekenis was en niet heeft bedoeld te verwijzen naar de jurisprudentie met betrekking tot het bestaan van goede redenen voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Tot aan EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk) leken de nationale wetgever en rechter zelf te mogen bepalen in welke gevallen de afwijzing van een getuigenverzoek gerechtvaardigd was, omdat het ontbreken van een goede reden geen zelfstandige grond leek op te leveren voor de vaststelling van een schending.
Dit is overigens niet expliciet genoemd in HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441.
HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8640. Dit komt mij – in het licht van EHRM 25 april 2013, appl.no. 51198/08 (Erkapic´/Kroatië), § 74-89 – voor als een juiste beslissing.
HR 7 februari 1995, NJ 1995, 278. Zie verder HR 6 juli 2010, NJ 2010, 511 en HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6949.
Vgl. Duker 2008, p. 52.
HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.77.
Vgl. Van Zeben 2005, p. 101-103.
HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8070. Zie ook HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0626.
HR 6 juli 2010, NJ 2010, 509, r.o. 3.3.1. Zie ook HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9964, r.o. 3.4 en HR 20 mei 2003, NJ 2003, 672, r.o. 3.2.3.
Zie bijvoorbeeld HR 4 januari 2000, NJ 2000, 537 en HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9921.
Zie bijvoorbeeld HR 8 september 2009, NJ 2009, 428. Hierbij moet de rechter wel oppassen met zijn motivering. Hij mag namelijk niet vooruitlopen op de inhoud van een getuigenverklaring. In HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8640 bijvoorbeeld had het gerechtshof een getuigenverzoek afgewezen met de motivering dat het niet verwachtte dat de desbetreffende getuige, die al eerder had verklaard, nu een andersluidende verklaring zou afleggen. De raadsman van de verdachte had gemeld dat hij van de getuige had vernomen dat deze een ontlastende verklaring wenste af te leggen, omdat hij zijn belastende verklaring onder druk van anderen had afgelegd. De Hoge Raad meende dat het gerechtshof ten onrechte op de verklaring van de getuige was vooruitgelopen. Hij betrok bij zijn overwegingen overigens expliciet de omstandigheid dat de advocaat-generaal zich niet tegen het getuigenverzoek had verzet. Zie ook HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7058.
HR 22 september 1992, NJ 1993, 85.
HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.76. Deze overweging heeft betrekking op de toetsing in cassatie. Ik neem aan dat ook feitenrechters rekening mogen houden met het feit dat een getuigenverzoek pas in een laat stadium van de procedure is gedaan. In de zaak die leidde tot HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3113 had het gerechtshof een getuigenverzoek op grond van het noodzaakcriterium afgewezen omdat de verdediging de getuige pas kort voor de zitting had opgegeven, terwijl zij volgens het gerechtshof al maanden eerder moet hebben geweten dat de verblijfplaats van deze getuige te achterhalen was. AG Vellinga meende dat deze motivering de afwijzing niet kon dragen. De Hoge Raad liet zich hierover niet uit en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.
HR 16 september 2008, NJ 2008, 513.
Kamerstukken II 2003/04, 29 254, nr. 3 (MvT), p. 14; HR 19 juni 2007, NJ 2007, 626, r.o. 3.3.1: ‘Naar de bewoordingen van die maatstaven en volgens de invulling die daaraan in de jurisprudentie is gegeven, biedt het “noodzakelijkheidscriterium” de rechter, in ieder geval in abstracto, een ruimere marge om een desbetreffend verzoek niet te honoreren dan het criterium van het “verdedigingsbelang”.’ Zie verder Röttgering 2013, p. 242- 246 en Scheele 2011, p. 67.
HR 19 juni 2007, NJ 2007, 626, r.o. 3.4.2. De Hoge Raad doelde in dit arrest op het geval waarin na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de appèlschriftuur nieuwe informatie bekend wordt, die aanleiding geeft tot het doen van een getuigenverzoek. Zie daarover ook HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.59-2.60.
Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een getuigenverzoek tijdens een regiezitting is afgewezen, maar nadien extra informatie beschikbaar komt die tot een andere beoordeling van het verzoek zou hebben geleid. De rechter is in dat geval bevoegd om het verzoek opnieuw te beoordelen, met toepassing van het criterium dat van toepassing was ten tijde van het doen van het getuigenverzoek. Zie HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.35 en HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2056.
Ondertussen is een wetgevingsoperatie gestart die als primair doel heeft om de positie van de getuige beter te regelen in het Wetboek van Strafvordering. Zie http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/publicaties/2014/06/06/getuigendiscussiestuk.html. Naar verluidt wordt in het kader hiervan ook overwogen om de regeling met betrekking tot de afwijzing van getuigenverzoeken aan te passen.
HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.78.
Duker 2008, p. 58.
Duker 2008, p. 64-65. Zie ook Anbeek 2013 en Jebbink 2013.
EHRM 25 juli 2013, appl.nos. 11082/06& 13772/05 (Khodorkovskiy &Lebedev/Rusland), § 712.
Algemeen
In bepaalde gevallen wordt een getuigenverzoek beoordeeld op grond van de vraag of de oproeping van de getuige noodzakelijk is. Dit criterium is onder andere van toepassing wanneer de verdediging ter zitting verzoekt om oproeping van een getuige.1Artikel 315 Sv bepaalt dat de rechtbank een bevel tot oproeping van een getuige kan geven ‘indien aan de rechtbank de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen’.2 In hoger beroep is dit artikel van overeenkomstige toepassing (art. 415 Sv).3 Is een getuige eerder ter zitting ondervraagd, dan mag het verzoek derhalve op die grond worden afgewezen.4 Daarnaast bepaalt artikel 418 lid 2 Sv: ‘In het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, kan oproeping ook worden geweigerd indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord en het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt.’5 Het betreft in dit laatste geval getuigen die bij appèlschriftuur zijn opgegeven.6 De noodzakelijkheid kan in theorie weliswaar ambtshalve aan de rechtbank blijken, maar de praktijk wijst uit dat rechters zelden gebruikmaken van de ambtshalve oproepingsbevoegdheid.7 Vrijwel altijd blijkt de noodzakelijkheid uit een ter zitting door de verdediging gedaan verzoek (art. 328 Sv). De rechtbank is, op straffe van nietigheid, verplicht op zo’n verzoek te beslissen (art. 330 Sv).8
Toetsing van noodzakelijkheid
De vraag wanneer een verzochte oproeping noodzakelijk moet worden geacht, is niet eenvoudig te beantwoorden. De Minister van Justitie overwoog hieromtrent: ‘kort gezegd kan horen noodzakelijk zijn ofwel als de rechtbank zelf meent de getuige met het oog op een goede waarheidsvinding te moeten horen, ofwel de waarborg van een fair hearing neergelegd in artikel 6evrm en daarmee verwante beginselen van een behoorlijke procesorde horen vereisen’.9 In het standaardarrest van 1 juli 2014 overwoog de Hoge Raad overigens dat bij de beoordeling van een getuigenverzoek waarop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is, slechts van belang is of de rechter het horen van de getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Getuigen mogen daarom worden afgewezen wanneer de rechter zich voldoende ingelicht acht.10 Dat neemt niet weg dat de rechter een getuigenverzoek zal moeten honoreren wanneer de Straatsburgse jurisprudentie daartoe dwingt, tenzij hij bereid is te accepteren dat de getuigenverklaring niet voor het bewijs wordt gebruikt en de verdachte mogelijk zal moeten worden vrijgesproken.
In de eerste plaats gaat het dus om de noodzakelijkheid die de rechter zelf ziet om nader te worden geïnformeerd, teneinde beslissingen te kunnen nemen in de strafzaak.11 Het zal dan doorgaans gaan om de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.12 De situaties waarin een rechter de oproeping noodzakelijk acht, kunnen heel divers zijn. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de getuige tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en de rechtbank het waarheidsgehalte van deze verklaringen wenst te onderzoeken. Dat kan noodzakelijk zijn, omdat onbetrouwbare verklaringen niet aan het bewijs ten grondslag mogen worden gelegd.13 Een tweede reden voor noodzakelijkheid kan zijn gelegen in het ondervragingsrecht van artikel 6evrm.14 Zelfs wanneer de rechtbank zelf geen enkele twijfel heeft over de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring, zal zij een niet eerder door de verdediging ondervraagde getuige moeten oproepen als het een beslissende getuige betreft. Die oproeping is dan noodzakelijk, omdat de getuigenverklaring anders niet voor het bewijs mag worden gebruikt.
Wanneer de rechter zelf geen behoefte heeft aan oproeping van de getuige of artikel 6evrm niet in het geding was, zal hij in bepaalde gevallen een getuige toch moeten oproepen, omdat de omstandigheden van de zaak daartoe dwingen.15 Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval waarin de rechter een getuigenverklaring als betrouwbaar had beoordeeld, maar de verdediging had aangevoerd dat de getuige zijn verklaring wenste in te trekken omdat deze onder druk was afgelegd. Het gerechtshof had de oproeping als niet-noodzakelijk beoordeeld, maar de Hoge Raad ging daarin niet mee.16 In een andere zaak had de verdachte ontkend dat hij de eerder aangehouden persoon was, terwijl uit het dossier niet bleek dat de identiteit van die persoon was vastgesteld. Onder die omstandigheden achtte de Hoge Raad het onbegrijpelijk dat het gerechtshof zonder nadere motivering had geoordeeld dat het oproepen van de beveiliger die de aanhouding had verricht, niet noodzakelijk was.17 Hieruit lijkt te mogen worden afgeleid dat in bepaalde gevallen de noodzakelijkheid een getuige op te roepen gelegen kan zijn in het belang om tot een juiste beslissing te komen. Ook als de rechter zelf zonder het verhoor van de getuige denkt te kunnen beslissen, kan de waarheidsvinding in dat geval met zich brengen dat het getuigenverzoek wordt ingewilligd of de rechter gemotiveerd uitlegt waarom oproeping van de getuige naar zijn oordeel niet noodzakelijk is.18 De Hoge Raad heeft in dit soort gevallen, in sterkere mate dan gebruikelijk is, zelfstandig de feiten en omstandigheden van de zaak beoordeeld. Het is de vraag of de Hoge Raad deze koers zal vasthouden. Volgens het standaardarrest over de beoordeling van getuigenverzoeken zal de toetsing in cassatie zich ‘meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.’19
Bij het aannemen dat een getuigenverhoor niet noodzakelijk is, kunnen verschillende factoren een rol spelen. In de praktijk functioneert artikel 315 Sv wat betreft getuigenverzoeken op dezelfde manier als de artikelen 264 en 288 Sv en worden ook de in artikel 288 lid 1 Sv genoemde gronden gebruikt voor afwijzing van verzoeken op grond van artikel 328 jo. 315 Sv.20 Wat betreft getuigen wier verschijning niet kan worden bewerkstelligd, blijkt dit uit een zaak uit 2006. In deze zaak had de raadsman van de verdachte ter zitting een getuigenverzoek gedaan. Het gerechtshof beoordeelde de oproeping als noodzakelijk en stelde de stukken in handen van de rechter-commissaris. De zitting werd herhaaldelijk geschorst omdat de oproeping niet was gerealiseerd. De getuige bleek echter onvindbaar. Het gerechtshof wees het getuigenverzoek uiteindelijk af omdat het van oordeel was dat niet kon worden verwacht dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zou verschijnen. Omdat het een ter zitting gedaan verzoek betrof, gold het criterium van de noodzakelijkheid. De Hoge Raad liet de bestreden uitspraak zonder nadere motivering in stand.21 In NJ 2010, 509 overwoog de Hoge Raad expliciet dat de gezondheid of het welzijn van de getuige als bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b Sv een grond voor afwijzing van een getuigenverzoek mag zijn wanneer de rechter op grond van artikel 315 Sv de noodzakelijkheid van het getuigenverhoor moet beoordelen.22 Ook bij het ontbreken van voldoende verdedigingsbelang mag de rechter een oproeping niet-noodzakelijk achten. De verwachte verklaring van de getuige zal informatie moeten bevatten die voor het nemen van de beslissing relevant is.23 Is dat het geval, dan zal een getuigenverzoek desondanks mogen worden afgewezen omdat een verhoor op grond van de reeds beschikbare informatie niet noodzakelijk wordt geacht24 of omdat de verdediging reeds op een eerder moment een ondervragingsgelegenheid heeft gehad.25
Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid mag het tijdstip waarop een getuigenverzoek is gedaan, worden betrokken.26 Wanneer de verdediging al langere tijd over bepaalde informatie beschikt op grond waarvan uiteindelijk een getuigenverzoek is gedaan, mag deze omstandigheid worden genoemd in de motivering waarom het belang van de verdediging bij het ondervragen van deze getuige niet heel groot is.27
Het noodzakelijkheidscriterium wordt dikwijls beschouwd als een strenger criterium dan het criterium of het verdedigingsbelang wordt geschaad.28 De Hoge Raad beoordeelt of de rechter het juiste criterium heeft toegepast en of de toepassing van dat criterium in de concrete zaak begrijpelijk is. Uit de jurisprudentie blijkt echter niet duidelijk waarin de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang verschilt van de beoordeling van de noodzakelijkheid van de oproeping van een getuige. In sommige gevallen komt toepassing van het noodzakelijkheidscriterium heel dicht in de buurt van toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang. Voor de situatie dat in hoger beroep om een getuige wordt verzocht overwoog de Hoge Raad zelfs, met betrekking tot bijzondere situaties: ‘Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het “verdedigingsbelang” zou worden bereikt.’29 Ook heeft de Hoge Raad bepaald dat in bijzondere gevallen de beoordelingsmaatstaf soepeler is dan op grond van de wettelijke regeling zou worden verwacht.30
De Hoge Raad heeft in een recent arrest uitleg gegeven over de wijze waarop de criteria van noodzakelijkheid en verdedigingsbelang moeten worden toegepast. Daarbij heeft hij ook een duidelijk signaal aan de wetgever afgegeven dat de criteria aanpassing behoeven.31 Er bestaan geen goede redenen om twee verschillende beoordelingsmaatstaven aan te leggen en ook de ehrm-jurisprudentie dwingt niet tot het hanteren hiervan.32
De concrete toepassing van ieder van de criteria komt dikwijls neer op de vraag of het oproepen van de getuige relevant is voor het nemen van een beslissing door de rechter.33 Duker heeft er daarom voor gepleit om ieder getuigenverzoek in de eerste plaats te beoordelen op grond van de vraag of de oproeping van de getuige relevant is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Moet dat worden aangenomen, dan kan een getuigenverzoek alsnog worden afgewezen op grond van bijzondere omstandigheden.34 Het voorstel van Duker past bij de huidige ehrm-jurisprudentie. In het arrest Khodorkovskiy & Lebedev overwoog het ehrm: ‘if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict (...), it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary, unless the testimony of that witness is manifestly irrelevant or redundant.’35 Hoewel een verzoek tot ondervraging van een relevante getuige in beginsel dus moet worden gehonoreerd, kan dit in bepaalde gevallen onmogelijk of onwenselijk blijken te zijn, bijvoorbeeld omdat een getuige onvindbaar is of het welzijn van de getuige moet prevaleren boven het ondervragingsrecht van de verdediging. In dat geval dwingen bijzondere omstandigheden tot afwijzing van het verzoek.
Toetsing aan EVRM
De afwijzing van een getuigenverzoek op basis van het noodzakelijkheidscriterium is, voor zover dat criterium tenminste correct wordt toegepast, in overeenstemming met de Straatsburgse jurisprudentie. Het criterium van het Wetboek van Strafvordering omvat immers de vraag of de ondervraging van een getuige noodzakelijk is in verband met het respecteren van artikel 6 lid 3 sub d evrm. Ook als dat niet het geval zou zijn geweest, zou de toepassing van de gronden voor afwijzing van ter zitting gedane getuigenverzoeken de Straatsburgse toets over het algemeen kunnen doorstaan. De gronden die de Hoge Raad accepteert voor afwijzing van getuigenverzoeken waarop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is, worden door het ehrm namelijk beschouwd als goede redenen voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.