Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.4.1.2:4.4.1.2 Eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.4.1.2
4.4.1.2 Eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS413772:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Notitie TWK, p. 3.
Popelier 1997, p. 575.
Wellicht is dit ook de reden dat het Hof van Cassatie van België in zijn uitspraak van 17 november 2005, nr. C.03/0430.N/1. www.juridat.be oordeelt dat het verbod tot terugwerkende kracht geen algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde is, terwijl het rechtszekerheidsbeginsel dat wel is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In par. 4.4.1.1 is het beginsel van eerbiediging van het vertrouwensbeginsel besproken. In het kader van verandering van wetgeving past het naar mijn mening beter om te spreken over eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen. Deze term dekt de lading beter; voorts is deze term in de literatuur over overgangsrecht vaker gebruikt (zie par. 4.4.1.1). De vraag wanneer sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen is echter geen andere dan de vraag wanneer vertrouwen moet worden geëerbiedigd. Aldus kom ik tot de formulering van beginsel van behoorlijk overgangsbeleid 1:
Beginsel 1: Eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen
Teneinde het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen te kunnen toepassen, moet worden vastgesteld welke criteria een rol spelen bij het beoordelen van gerechtvaardigde verwachtingen. De criteria die Popelier heeft geformuleerd voor het beoordelen van de aanwezigheid van vertrouwen, kunnen hierbij als uitgangspunt dienen (zie par. 4.4.1.1). De criteria a t/m c en f neem ik – hier en daar in iets aangepaste vorm – over. De criteria d en e hebben alle specifiek betrekking op de voorzienbaarheid van een nieuwe regel en voeg ik om die reden samen. Het criterium van de declaratieve wijziging (g) kan naar mijn mening worden gerekend tot het criterium van de juridische context. Het criterium van het algemeen belang behoort naar mijn mening niet tot het vereiste van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen en kan om die reden beter worden behandeld onder het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk overgangsbeleid (zie par. 4.4.8.2). De criteria die de gerechtvaardigdheid van verwachtingen bepalen, luiden aldus als volgt (in de volgorde waarin zij hierna zullen worden behandeld):
het criterium van de schade;
het criterium van stimulerings- en ontmoedigingsmaatregelen;
het criterium van verwachtingen ontleend aan de rechtsregel;
het criterium van de onduidelijke rechtstoestand, en
het criterium van de voorzienbaarheid van een wetswijziging.
Daarnaast onderscheid ik een aantal factoren die niet zelfstandig leiden tot het ontstaan van gerechtvaardigde verwachtingen doch die wel van invloed zijn op eventuele aanwezige gerechtvaardigde verwachtingen. Deze factoren zijn misbruik van wetgeving, oneigenlijk gebruik van wetgeving en de reactiesnelheid van de wetgever.
In de Notitie TWK wordt onderscheid gemaakt tussen het inhoudelijk element en het tijdselement. Onder het inhoudelijk element verstaat de staatssecretaris van Financiën of er in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel voldoende rechtvaardiging bestaat voor het toekennen van terugwerkende kracht. Met het tijdselement doelt hij op de vraag of de nieuwe regeling voorzienbaar is.1 Ik acht deze tweedeling terecht, doch ik geef aan de elementen liever een iets andere inhoud. In hfdst. 5 kom ik hierop terug.
Het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen werk ik uit in hfdst. 5. Het beginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden geëerbiedigd is een materieel beginsel van behoorlijk overgangsbeleid. Uit dit beginsel vloeien namelijk nadere voorschriften voort voor de keuze van een overgangsregime. Op basis van het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen kan het bijvoorbeeld wenselijk zijn dat een overgangsmaatregel in de vorm van eerbiedigende werking wordt getroffen.
Met Popelier2 ben ik het eens dat het geen toegevoegde waarde heeft om naast het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen een verbod op retroactiviteit op te nemen. Een dergelijk verbod zou te absoluut zijn. Aan de hand van de eis dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden geëerbiedigd, kan de werkingsregel ‘terugwerkende kracht’ worden beoordeeld, waardoor een afzonderlijk verbod overbodig is.3