Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/3.4.1
3.4.1 Jungen; Kramer q.q./NMB
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS608422:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de cessie en verpanding van toekomstige belastingvorderingen § 2.4.7. Zie eveneens casus X in § 6.5.
Deze zogenaamde 'materiële leer' geldt als vaste jurisprudentie van de Hoge Raad: zie Tekstra 1999/2011, § 2.1.3 en de daar vermelde rechtspraak. Het daar vermelde arrest Staat/Sprangers (HR 27 mei 1997, NJ 1997, 158, MS) betrof overigens eveneens een geschil over de WIR-premie. Het arrest gaat met name over de leer van de formele rechtskracht.
Achteraf gezien bleek de WW-premie overigens vrijwel nooit een zelfstandige reden te zijn voor een ondernemer om tot een investering in een bedrijfsmiddel over te gaan. Hij besliste daartoe meestal los van deze subsidiemogelijkheid en vond het daarbij 'meegenomen' dat hij ook nog een subsidie voor deze investering ontving.
HR 16 juni 1995, NJ 1996, 508, WMK.
Dit criterium voor de overdracht van (toekomstige) vorderingen had de Hoge Raad reeds eerder ontwikkeld. Zie daarover Verdaas 2008, p. 176-178 en § 2.4.7.
Vranken geeft in zijn conclusie bij het arrest en mooie beeldspraak (ontleend aan Lokin), om aan te geven dat hij voor toepassing van de verrekeningsregels de ontvanger in een bepaald deel van zijn betoog niet heeft kunnen volgen: 'De rechter is weliswaar (...) niet als een galeislaaf aan het schip van de wet geketend, maar hij is, zou ik menen, ook geen piraat.'
Zie § 2.2.6.
Ook Mijnssen lijkt uit te gaan van een beperkte uitleg/toepassing van het begrip 'dezelfde rechtsverhouding', maar spitst dit niet toe op de relatie tussen de fiscus en een belastingplichtige (Mijnssen 2003, p. 134).
Zie eveneens § 2.2.6.
Zie over de vraag naar de noodzaak van art. 24 Iw 1990, mede in verband met de ruime werking van art. 6:130 BW, § 1.3.
Zie § 2.4.7. en over deze ontwijkingsmogelijkheid § 1.3, slot. De fiscus kan dan alleen nog verrekenen als aan de voorwaarden van art. 24 lid 5, onderdeel c, Iw 1990 is voldaan.
In het arrest Jungen; Kramer q.q./NMB speelde het volgende. Jungen Glashandel B.V. cedeerde op 28 september 1981 aan haar financier de NMB haar vordering op de Staat (lees: de fiscus) ter hoogte van f 20.206 ter zake van de WIR/kleinschaligheidstoeslag 1980. Deze cessie werd bij exploot van 2 oktober 1981 door de NMB aan de Staat betekend. Op 21 oktober raakte Jungen in staat van faillissement. Tijdens dit faillissement, op 13 november 1981 stelde de inspecteur de aanslag vennootschapsbelasting 1980 vast op een bedrag van f 20.206, terug te betalen aan Jungen. De curator stelde zich op het standpunt dat deze teruggaaf aan hem diende plaats te vinden, omdat volgens hem de vordering van Jungen eerst was ontstaan met en door het vaststellen door de inspecteur van de aanslag vennootschapsbelasting op 13 november 1981. Ten tijde van de faillietverklaring was de vordering van Jungen volgens de curator een toekomstige vordering.1
De Hoge Raad verwerpt dit standpunt van de curator. Een belastingschuld is volgens de Hoge Raad een schuld die rechtstreeks uit de betreffende belastingwet(ten) voortvloeit, waarbij het opleggen van de aanslag niet anders is dan het in een bepaalde vorm en met de aan die vorm verbonden rechtsgevolgen vaststellen van het door de belastingplichtige verschuldigde belastingbedrag.2 De Hoge Raad leidt vervolgens uit de van toepassing zijnde fiscale wetten en regels af dat ten aanzien van de investeringsbijdragen (dus de WIR-premies) - die als negatieve belasting moeten worden aangemerkt - eenzelfde materieel stelsel geldt. Dit brengt naar het oordeel van de Hoge Raad mee dat de aanspraak op een investeringsbijdrage reeds ontstaat voordat de aanslag is vastgesteld. De Hoge Raad laat in het midden of deze aanspraak ontstaat op het tijdstip van investeren dan wel bij het einde van het belastingjaar of het belastingtijdvak waarin de investering plaatsvond.
De Hoge Raad voegt hier aan toe dat dit - materiële - stelsel aansluit bij de Wet investeringsrekning, waarop de WIR-premie is gebaseerd, die beoogt het doen van investeringen in bedrijfsmiddelen te bevorderen.3 De verlening van voor het doen van investeringen dikwijls noodzakelijke kredieten wordt volgens de Hoge Raad immers bevorderd wanneer aan de kredietverlener ook de aanspraak op de Staat met betrekking tot een investeringsbijdrage tot zekerheid voor het krediet kan worden overgedragen, zonder dat mogelijk lange tijd onzekerheid blijft bestaan of deze overdracht door een latere onbevoegdheid van de schuldenaar wordt getroffen. Hieraan doet naar het oordeel van de Hoge Raad niet af dat de investeringsbijdrage maatschappelijk het karakter van een overheidssubsidie heeft. Niet het karakter van de bijdrage is beslissend, maar de wijze waarop in de wettelijke regeling aan deze subsidie vorm is gegeven. 3.4.2 Ontvanger/Rabobank Ijmuiden4
In het arrest Ontvanger/Rabobank IJmuiden ging het eveneens om een cessie van een WIR-premie. Daarbij kwam de verrekeningsmogelijkheid van de fiscus aan de orde. Ondernemer Oor cedeerde op 30 juni 1986 aan de Rabobank IJmuiden tot zekerheid de vordering op de belastingdienst uit hoofde van een negatieve aanslag inkomstenbelasting. Die was mede het gevolg van de toekenning van WIR-premie over het belastingjaar 1986. Deze cessie werd op 5 juni 1987 aan de Staat betekend. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting over 1986 op met een aan Oor terug te geven bedrag van f 66.603. Dit terug te geven bedrag vloeide voort uit een WIR-aanspraak die Oor verkreeg door investeringen die hij deed vóór 1 mei 1986. Bij brief van 1 maart 1998 berichtte de Ontvanger de Rabobank als cessionaris dat hij de teruggaaf geheel wenste te verrekenen met aanslagen loonheffing en omzetbelasting, die nog ten name van Oor openstonden. Dit betrof aanslagen die allemaal na 5 juni 1987, de betekeningsdatum van de cessie, opeisbaar waren geworden.
De Hoge Raad oordeelt dat de cessie van de WIR-premie inderdaad kon plaatsvinden, omdat de vordering van Oor op de Staat haar onmiddellijke grondslag vond in een ten tijde van de cessie bestaande rechtsverhouding.5 Dit betrof de rechtsverhouding tussen de ondernemer en de Staat, die als gevolg van en op het tijdstip van het doen van investeringen was ontstaan. Verder gaat de Hoge Raad in op het door de Ontvanger6 subsidiair gedane beroep op verrekening van de door hem verschuldigde WIR-teruggaaf met na de betekening van de cessie opeisbaar geworden belastingschulden van Oor. Het Hof had geoordeeld dat hierop de artikelen 1463 lid 1 en 1467 lid 2 BW (oud) van toepassing waren en dat dit beroep op verrekening niet kon slagen, nu op het tijdstip van de betekening van de cessie niet één van de te verrekenen aanslagen opeisbaar waren. De Ontvanger had hier tegen aangevoerd dat het publiekrechtelijke karakter van schilden en vorderingen als de onderhavige zich verzet tegen toepasselijkheid van het privaatrechtelijke compensatieregime, althans tegen toepassing van de opeisbaarheideis van artikel 1463 lid 1 BW (oud). De Hoge Raad wijst deze stelling van de Ontvanger af, omdat noch de te dezen toepasselijke wetten noch het publiekrechtelijke karakter van schilden en vorderingen als de onderhavige zich verzetten tegen de toepassing die het Hof aan de artikelen 1362 lid 1 en 1467 lid 2 BW (oud) heeft gegeven.
In de NJ-noot van Kleijn bij dit arrest komt aan de orde dat de verrekeningsbevoegdheid na cessie sinds 1 januari 1992 is uitgebreid, doordat in artikel 6:130 lid 1 BW is toegevoegd de bepaling dat na cessie verrekening nog mogelijk is indien de gecedeerde vordering uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als de tegenvordering.7 Kleijn merkt over deze uitbreiding op:
"Vloeit hieruit nu voort dat een negatieve aanslag inkomstenbelasting in jaar 1 compensabel is met een positieve aanslag loon- en omzetbelasting en premieheffing in jaar 2 (ongeacht de opeisbaarheid van de aanslag uit jaar 2)? M.i. ontbreekt hier de identiteit van rechtsverhoudingen, bedoeld in art. 6:130 BW; geldt hetzelfde als de positieve aanslag ook de inkomstenbelasting betreft, zij het in jaar 2?
Hoe dit zij, intussen bepaalt de Invorderingswet 1990 dat cessie van belastingvorderingen alleen met medewerking van de ontvanger kan plaatsvinden. Hiermee is dus een speciaal regime voor cessie van belastingvorderingen geschapen, waardoor thans de positie van de fiscus t.a.v. een beroep op compensatie aanzienlijk is versterkt."
Ik kan mij niet vinden in het standpunt van Kleijn, dat in het door hem gegeven voorbeeld geen sprake zou zijn van 'dezelfde rechtsverhouding' in de zin van artikel 6:130 lid 1 BW. Naar mijn mening wordt door Kleijn aan dit begrip een te beperkte toepassing gegeven in de verhouding tussen de belastingplichtige en de fiscus.8 De Hoge Raad stelde in het arrest vast dat de vordering van Oor op de belastingdienst overdraagbaar was, omdat die haar onmiddellijke grondslag vond in een bestaande rechtsverhouding. Als aan dit criterium is voldaan, mag normaal gesproken worden aangenomen dat daarmee ook sprake is van dezelfde rechtsverhouding in voornoemde zin. De belastingplichtige heeft als het ware een doorlopende rechtsverhouding met de fiscus, zeker in het door Kleijn beschreven geval.9 Kleijn stelt in zijn noot helaas niet de vraag aan de orde of het wel noodzakelijk is de positie van de fiscus hier te versterken, dan wel of eigenlijk wel van een versterking kan worden gesproken, gezien het 'ruime alternatief' dat artikel 6:130 BW sinds 1 januari 1992 biedt.10 Dit kan het gevolg zijn van de beperkte uitleg die hij aan deze bepaling geeft in de relatie tussen de fiscus en de belastingplichtige.
Het is niet denkbeeldig dat de huidige regeling van artikel 24 lid 4 Iw 1990 omtrent de overdracht en verpanding van belastingrestituties gedrag zal uitlokken, dat juist tot een verzwakking van de positie van de fiscus zal leiden. De mededeling van een cessie of verpanding kan op een zodanig moment worden gedaan dat er dan geen belastingschulden ten laste van de cedent openstaan. De ontvanger is dan verplicht met de overdracht of verpanding in te stemmen.11