Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.4.2.1
4.4.2.1 Inleiding
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS376265:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 80 en Wieten 2002, p. 4.
Zie HR 6 april 2001 ( VNP/Havn:/), NJ 2002, 385 (HJS) en HR 4 april 2003 (Hoeberechts/Lourens), NJ 2003, 361.
De door art. 166 lid 1 Rv gestelde eis dat de te bewijzen aangeboden feiten betwist moeten zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden, wordt in de jurisprudentie veelal geformuleerd als de eis dat het bewijsaanbod terzake dienend moet zijn, zie bijv. HR 12 september 2003 (T. ImportExport/Nationale Nederlanden), NJ 2005, 268 (DA).
O.m. HR 12 mei 1989, NJ 1989, 613 en HR 8 juli 1992, NJ 1993, 116 (Ma). Zie - met veel verwijzingen naar rechtspraak - Rutgers (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 166, aant. 6.
O.m. HR 19 juni 1998, NJ 1998, 777; HR 8 juli 1992 (FPM/Clara Candy), NJ 1993, 116 (Ma) en HR 12 mei 1989 (Reco/De Staat), NJ 1989, 613.
Zie bijv. HR 1 november 1957 (Bedrijfspensioenfonds Bouwnijverheid/Intercommunale Waterleiding), NJ 1960, 173, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet verplicht was in te gaan op een eerst bij pleidooi gedaan bewijsaanbod, noch gehouden was rekenschap te geven waarom zij daartoe geen aanleiding zag. Zie ook HR 13 mei 1983 (longkind/Christiaans), NJ 1983, 714, waarin het bewijsaanbod overigens betrekking had op voor het eerst bij pleidooi gestelde feiten, die op grond van de regels van een goede procesorde terzijde werden gesteld. Een bewijsaanbod gedaan bij memorie van grieven in hoger beroep, is nog tijdig, zo blijkt uit HR 21 juni 1991 (Garisse/Plokhaar), NJ 1991, 726. Wanneer een bewijsaanbod als tijdig of niet tijdig gedaan moet worden beschouwd, valt in zijn algemeenheid niet te zeggen. De rechter dient van geval tot geval te beoordelen of honorering van het bewijsaanbod leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure. Veel betekenis komt toe aan de vraag of een partij onnodig lang heeft gewacht met het doen van het betreffende bewijsaanbod. Is dat niet het geval, dan brengt het beginsel van hoor en wederhoor mee dat het bewijsaanbod niet snel mag worden gepasseerd. Overigens bedenke men dat een bewijsaanbod van (incidenteel) appellant in hoger beroep soms als een te laat aangevoerde grief moet worden gekwalificeerd, zie HR 23 december 1988 (Delken/Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel), NJ 1989, 264.
Zie o.m. HR 25 februari 1983 (Beerman/Van Raamsdonk), NJ 1983, 630; HR 14 juni 1994, NJ 1994, 333; HR 20 maart 1998, NJ 1999, 693 (HJS onder NJ 1999, 694) en HR 9 juli 2004 (OZ Export/Roozen), NJ 2005, 270 (DA).
Zie HR 27 januari 1938 (Expeditie Van Doorn/Van de Biezebos), NJ 1938, 976 (EMM).
Zie Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nrs. 33 en 83.
HR 9 januari 1998, NJ 1999, 413 (HJS); HR 10 december 1999 (BIABN AMRO), NJ 2000, 637; HR 6 april 2001 (Vellekoop/Wilton Fijenoord), NJ 2002, 383 (HJS) en HR 9 juli 2004 (AZG/V.), NJ 2005, 78.
HR 14 november 1997, NJ 1998, 99
Rapport van de Raad voor de Rechtspraak, Commissie verbetervoorstellen civiel 2004, p. 9.
231. Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor zo vaak een van de partijen het verzoekt, en de door haar te bewijzen aangeboden feiten zijn betwist en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden, aldus art. 166 lid 1 Rv. De rechter is ook bevoegd ambtshalve een getuigenverhoor te bevelen.
Een verzoek tot het doen horen van getuigen wordt geacht besloten te liggen in het aanbod van een partij om bewijs door getuigen te leveren. De vermelding van de getuigen die een partij kan doen horen in de dagvaarding of de conclusie van antwoord, zoals voorgeschreven door art. 111 lid 3, resp. art. 128 lid 5 Rv, kan worden beschouwd als een - impliciet - aanbod (verzoek) tot het leveren van bewijs 1 Uit het enkele feit dat een partij weliswaar in algemene bewoordingen aanbiedt haar stellingen te bewijzen, maar daarbij niet uitdrukkelijk vermeldt dat zij getuigenbewijs aanbiedt, mag overigens niet zonder meer worden afgeleid dat die partij geen getuigenbewijs aanbiedt. Ook in een dergelijk algemeen aanbod kan, in het licht van de gedingstukken, het aanbod worden gelezen om getuigen te doen horen worden.2
Naast de in art. 166 Rv genoemde omstandigheden, waaronder de plicht van de rechter om na een aanbod tot bewijslevering door getuigen een getuigenverhoor te gelasten uitzondering lijdt3, is in de rechtspraak nog een aantal eisen ontwikkeld waaraan het bewijsaanbod moet voldoen, wil de rechter daar niet aan mogen voorbijgaan.4 Zo dient het bewijsaanbod voldoende gespecificeerd te zijn (het mag niet te vaag zijn)5 en moet het tijdig worden gedaan.6 Een bewijsaanbod mag daarentegen niet worden gepasseerd omdat het horen van de door partijen aangeboden getuigen naar het oordeel van de rechter niets nieuws of niets relevants terzake van de te bewijzen feiten zou kunnen opleveren. Met een dergelijk oordeel zou de rechter immers ten onrechte vooruitlopen op de waardering van het resultaat van de bewijsvoering.7
Ook in kort geding kan bewijs worden geleverd door het doen horen van getuigen.8 Evenwel is de voorzieningenrechter niet verplicht om, zoals de 'gewone' burgerlijke rechter in beginsel is, een getuigenverhoor te gelasten, zo vaak een partij dat aanbiedt. Het is aan het beleid van de voorzieningenrechter die over de feiten oordeelt overgelaten of hij op een aanbod van getuigenbewijs zal ingaan. Indien de voorzieningenrechter daarvoor geen termen aanwezig acht, kan hij zodanig aanbod zonder uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing passeren, aldus de Hoge Raad.9
Men bedenke overigens dat indien de rechter reeds getuigen heeft gehoord, het leveren van tegenbewijs door middel van getuigen ingevolge art. 168 Rv rechtswege vrij staat. Tegenbewijs behoeft dan derhalve niet te worden aangeboden, en voor eisen te stellen aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs is dan ook geen plaats. Ook als er geen getuigen zijn gehoord, mogen aan een aanbod om getuigen te doen horen ten einde tegenbewijs te leveren tegen op andere wijze geleverd bewijs, niet dezelfde eisen worden gesteld als aan een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs dat niet strekt tot tegenbewijs. Tegenbewijs staat immers, zo blijkt uit art. 151 lid 2 Rv, in beginsel vrij, echter niet van rechtswege vrij. Dat brengt mee dat het tegenbewijs in dat geval wel moet worden aangeboden.10 Veelal volgt uit het gegeven dat het om tegenbewijs gaat, dat voldoende duidelijk is tot bewijs van welke feiten het bewijsaanbod strekt, te weten tot het bewijs van het tegendeel van de feiten waarvan de andere partij bewijs heeft geleverd. Naar vaste rechtspraak mag een aanbod tot het leveren van tegenbewijs door middel van getuigen dan ook niet snel worden gepasseerd omdat dit aanbod onvoldoende gespecificeerd zou zijn.11 Anderzijds kan de rechter aan een 'vaag' - in zeer algemene termen vervat - aanbod tot het leveren van tegenbewijs wel degelijk voorbijgaan.12 Evenzo mag de appèlrechter verwachten dat een partij die in eerste aanleg al tot het leveren van tegenbewijs door middel van getuigen is toegelaten, bij een herhaling van haar aanbod daartoe in hoger beroep, dit aanbod nader toelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom zij (bepaalde) getuigen (opnieuw) wil doen horen.13
Dat in de rechterlijke macht de wens leeft ruimere mogelijkheden te krijgen om aan een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs voorbij te kunnen gaan, moge blijken uit het rapport van de door de Raad voor de rechtspraak ingestelde Commissie verbetervoorstellen civiel. De commissie merkt op dat regelmatig een grote hoeveelheid getuigen wordt opgevoerd, zonder dat deze getuigen een toegevoegde waarde hebben voor de procedure. In beginsel biedt de wet geen middelen om een beperking op te leggen ten aanzien van het aantal te horen getuigen, anders dan in bijzondere gevallen waarin zulks 'in strijd met een goede procesorde' is, aldus de Commissie. Zij stelt daarom voor dat partijen een toelichting moeten geven op hun wens om getuigen te horen met daarbij de mogelijkheid voor de rechter om op grond van de toelichting verhoren te weigeren. Dit zou de rechter ontlasten en de procedure versnellen.14
De eisen die in de rechtspraak aan een bewijsaanbod worden gesteld, in aanvulling op de eisen die art. 166 lid Rv stelt, wil de rechter verplicht zijn een getuigenverhoor te bevelen, zijn deels (mede) gegrond op de goede procesorde, zo blijkt uit de arresten die in de navolgende nummers aan de orde komen.