Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/5.2.4
5.2.4 ILO verdragen (20e eeuw)
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392104:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
ILO Constitution 1919 en Declaration concerning the aims and purposes of the International Labour Organisation 10 mei 1944, zie ook https://www.ilo.org/public/dutch/region/eurpro/brussels/bruxelles/introduction.htm.
Zie www.ilo.org – ILO member States.
Artikel 22ILO Constitution.
Zie www.ilo.org – ILO Conventions – Ratifications for the Netherlands.
Convention concerning Forced or Compulsory Labour, ILO Convention No. 29.
ILO Conference, 14th Session, Item I, Report of the Committee en Forced Labour to the Twelfth Session of the Conference, Forced Labour 1929, p. 11.
ILO Conference, 96th Session, Item III, Report of the Committee of Experts on the Application of Conventions and Recommendations, Eradication of Forced Labour, General Survey concerning Forced Labour Convention 1930, and the Abolition of Forced Labour Convention 1957, Report III (Part IB) 2007, p. 20. Zie ook Allain 2014 (A), p. 8 (noot 19 en 20).
ILO 2005.
ILO 2005, p. 5-6.
ILO 2005, p. 6.
Convention Concerning the Abolition of Forced Labour, ILO Convention No. 105.
Artikel 1.
Een separate ontwikkeling in de twintigste eeuw is de oprichting van de Internationale Arbeidsorganisatie (International Labour Organisation, ILO) in 1919 na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Na deze oorlog groeide het idee dat universele en duurzame vrede enkel kan worden bereikt door sociale rechtvaardigheid. De ILO streeft een humanitair arbeidsbeleid na met respect voor gezondheid, gezinsleven en vooruitgang van de arbeiders.1 Tegen deze achtergrond zijn de verdragen inzake gedwongen arbeid van de ILO van 1930 en 1957 tot stand gekomen. De verdragen zijn tegenwoordig nog steeds relevant in de strijd tegen mensenhandel en uitbuiting. De lidstaten van de ILO, waaronder Nederland,2 verplichten zich de geratificeerde verdragen van de organisatie na te komen. Zij dienen met regelmaat te rapporteren over de stand van zaken met betrekking tot elk van de door hen ondertekende verdragen.3 De ILO monitort lidstaten en kan aanbevelingen geven omtrent de uitvoering van de verdragsverplichtingen. Nederland heeft zowel het verdrag van 1930 als van 1957 geratificeerd.4
Het Verdrag inzake gedwongen arbeid uit 1930 heeft als doel alle vormen van gedwongen arbeid te onderdrukken.5Artikel 2 van het verdrag definieert gedwongen arbeid als:
‘Elke arbeid of dienst die van een individu wordt vereist onder dreiging van een straf en waarvoor het individu zich niet uit vrije wil beschikbaar heeft gesteld.’
In de voorbereidende stukken van het verdrag is te lezen dat de term ‘straf’ niet strikt moet worden gelezen als een sanctie die alleen opgelegd zou kunnen worden door een gerechtsorgaan. Ook andere personen of organen kunnen tot een straf verplichten.6 De zin ‘onder dreiging van een straf’ moet zo worden geïnterpreteerd dat daar ook onder valt het verlies van enige rechten of privileges zoals bijvoorbeeld het maken van promotie, overplaatsing, toegang tot een nieuwe baan, het verkrijgen van bepaalde consumptiegoederen, huisvesting of de deelname aan universitaire programma’s.7
Het ILO rapport van 2005 over gedwongen arbeid werkt de bepaling verder uit.8 Dwangarbeid kan niet zomaar worden gelijkgesteld met lage lonen en slechte arbeidsomstandigheden. Evenmin betreft het een situatie van pure economische noodzaak, zoals wanneer een werknemer zich niet in staat voelt een baan te verlaten vanwege een gebrek aan een alternatieve werkgelegenheid. Gedwongen arbeid betreft een ernstige schending van de mensenrechten en een beperking van de menselijke vrijheid. De ILO-definitie van dwangarbeid bestaat uit twee basiselementen: 1) het werk of de dienst die wordt afgedwongen onder de dreiging van een straf en 2) het onvrijwillige karakter van de te verrichten arbeid. De toezichthoudende organen van de ILO hebben de afgelopen 75 jaar beide elementen verduidelijkt. De meest extreme vormen van een (dreiging van) een straf zijn fysiek geweld, dwang, of doodsbedreigingen gericht aan het slachtoffer of familieleden. Er kunnen evenwel ook subtielere vormen van dreiging worden aangemerkt, soms van psychologische aard. Als dreiging geldt bijvoorbeeld het aangeven van illegale slachtoffers bij immigratieautoriteiten, of het in beslag nemen van identiteitspapieren. Ook financiële sancties kunnen een rol spelen, bijvoorbeeld schuldbinding, het niet betalen van lonen, of loonverlies gekoppeld aan ontslagdreigingen als werknemers geen overuren willen maken.9 Ten aanzien van het tweede element, het onvrijwillige karakter, kunnen van belang zijn de vorm en de inhoud van de toestemming, de rol van de externe beperkingen of indirecte dwang, de mogelijkheid tot het intrekken van een ‘vrij’ gegeven toestemming. Zo kunnen slachtoffers aanvankelijk instemmen met een arbeidssituatie omdat zij worden voorgelogen en later ontdekken dat zij niet vrij zijn zich terug te trekken.10 Deze ILO definitie van gedwongen arbeid wordt gekopieerd in latere verdragen.
In 1957 wordt het ILO Verdrag van 1930 uitgebreid met het Verdrag tot afschaffing van gedwongen arbeid.11 Dit verdrag verplicht lidstaten alle effectieve maatregelen te nemen om gedwongen arbeid te elimineren. Gedwongen arbeid mag ook niet gebruikt worden als een middel van politieke dwang, als een manier om de economische ontwikkeling te stimuleren of een manier om arbeidsdiscipline te creëren, als straf voor het deelnemen aan stakingen en als vorm van discriminatie.12
In 1999 volgt het ILO Verdrag inzake de ergste vormen van kinderarbeid.13 Het verdrag heeft tot doel de ergste vormen van kinderarbeid tegen te gaan. Met verwijzing naar andere verdragen betreffende kinderarbeid, bestempelt artikel 3 als ‘de ergste vormen van kinderarbeid’:
Alle vormen van slavernij of praktijken vergelijkbaar met slavernij zoals de verkoop en handel in kinderen, schuldbinding, dienstbaarheid, gedwongen arbeid, inclusief de gedwongen rekrutering van kinderen in een gewapend conflict;
Het gebruiken of aanbieden van een kind voor prostitutie, voor de productie van pornografie of voor pornografische voorstellingen;
Het gebruiken of aanbieden van een kind voor illegale activiteiten, in het bijzonder voor de productie van en handel in drugs zoals omschreven in de desbetreffende internationale verdragen;
Werk dat door zijn aard of de omstandigheden waarin het wordt uitgevoerd, waarschijnlijk de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van kinderen schaadt.
Het verdrag van 1999 schaart kinderhandel gelijk met slavernij. Wat precies onder handel valt, wordt niet nader gedefinieerd. Ook in dit verdrag vertroebelt aldus het onderscheid tussen handel en uitbuiting.
De ILO verdragen hebben op internationaal en nationaal niveau een bijdrage geleverd aan de bewustwording van arbeidsuitbuiting en de definiëring van gedwongen arbeid. De ILO definitie van gedwongen arbeid wordt overgenomen door de VN en de EU (zie § 5.3 en 5.4). Gedwongen arbeid betreft arbeid die wordt afgedwongen onder de dreiging van een straf en die onvrijwillig wordt verricht.