Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/1.4.2
1.4.2 Rechtsvergelijking
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931167:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader Hoofdstuk 2, par. 2.2.
Zie bijvoorbeeld art. 340 VwEU (voorheen art. 288 EG-Verdrag, en daarvoor art. 215 EEG-Verdrag), dat voorziet in rechtsvinding “overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben”. Deze norm lijkt ook ook een rol te spelen bij rechtsvinding in gevallen die niet door art. 340 VwEU worden bestreken, zie Sieburgh 2014/16 e.v., met verdere verwijzingen. Daarnaast wordt wel gesproken van een “dialoog” tussen nationale rechters en het Hof van Justitie, zie HvJEU 12 februari 2008, zaak C-2/06, ECLI:EU:C:2008:78, Jur. 2008, p. I-00411 (Kempter), r.o. 44; Sieburgh 2011, p. 187-242; en Loth 2014. Vgl. voorts Loth 2018.
Vgl. Jacobs 2019, p. 525.
Vgl. De Boer 1992; Florijn 1993, p. 41-65.
Vgl. Zweigert & Kötz 1998, p. 34 e.v., die functionaliteit als grondbeginsel van rechtsvergelijking hanteren. Zie voorts Michaels 2019.
Zie bijvoorbeeld Van Boom 1999; Meier 2010; en Vandenbogaerde 2015.
Zie hiervoor, nr. 4.
Zie hiervoor, nr. 14.
14. Externe rechtsvergelijking. De beantwoording van de centrale onderzoeksvragen vergt onder meer een vergelijking van de Unierechtelijke regels inzake hoofdelijkheid met de regels uit het Nederlandse materiële recht. Er vindt daarmee rechtsvergelijking plaats die zowel ‘extern’ als ‘verticaal’ van karakter is: extern, omdat wordt vergeleken met een ander stelsel dan het Nederlandse, en verticaal, omdat wordt vergeleken met een stelsel dat van andere orde is dan het Nederlandse recht.1 Het vertrekpunt daarbij is het geldende Unierecht. Van de tweebaansweg die wordt gevormd door de beïnvloeding van Unierecht door nationaal recht enerzijds,2 en de beïnvloeding van nationaal recht door Unierecht anderzijds, zal ik dus alleen de laatste bewandelen.3 Wel zal ik her en der ingaan op de wijze waarop een bepaalde kwestie is vormgegeven in het recht van enkele lidstaten, in het bijzonder het Nederlandse, Belgische, Franse, Duitse en Italiaanse recht. Die exercitie heeft zich beperkt tot het uit de burgerlijke wetboeken kenbare recht. Ook heb ik daarbij geregeld de regelingen uit de DCFR, de PETL, en de PECL betrokken. Daarnaast is op punten – en tamelijk beperkt – ter inspiratie4 gebruikgemaakt van enkele secundaire bronnen ten aanzien van het Engelse, Duitse en Franse recht. Het richtsnoer hierbij is telkens functionaliteit geweest.5
Het onderzoek is niet gebaseerd op structurele vergelijking met andere nationale rechtsstelsels. Dergelijk onderzoek is reeds voorhanden,6 en gelet op de centrale onderzoeksvragen zou dergelijke rechtsvergelijking neerkomen op een zeer tijdrovende exercitie, omdat voor alle onderzochte nationale rechtsstelsels antwoord zou moeten worden gegeven op de door mij gebruikte onderzoeksvragen. Voor een dergelijke exercitie bestond helaas onvoldoende tijd.
15. Interne rechtsvergelijking. Dit onderzoek is mede gericht op de consistentie van het Nederlandse recht.7 De in dat kader verrichte rechtsvergelijking is ‘intern’ van aard, in die zin dat verschillende grootheden binnen hetzelfde rechtssysteem met elkaar worden vergeleken (materieel recht, procesrecht, insolventierecht). Zoals reeds opgemerkt,8 heeft die vergelijking ook betrekking op de aan de desbetreffende regels ten grondslag liggende beginselen, om zo een vergelijking mogelijk te maken tussen regels die betrekking hebben op deels verschillende materie.