Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.A.2
2. Onderdeel t (oud)
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474967:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 15 december 1995, Stb. 1995, 634. Zie tevens J.A.M. Klinkert-Cino, ‘Verplaatsing en ruil van agrarische grond vrij van overdrachtsbelasting’.
Aldus M.J.P.C. Steinbusch, ‘Vrijstelling hervestiging landbouwbedrijven’, in: LTB 1996/6, p. 6.
Zie voor de inhoud van het begrip Tanderij’ nader onderdeel C.l.b hierna.
Zie tevens onderdeel A.2 van het vorige hoofdstuk.
Zo is te lezen in Kamerstukken II 1997/1998, 25688, nr. 6, p. 2. Zie tevens M.J.P.C. Steinbusch, ‘Vrijstelling hervestiging landbouwbedrijven’, p. 6, alsmede onderdeel 3 hierna.
Aldus J.A.M. Klinkert-Cino, ‘Verplaatsing en ruil van agrarische grond vrij van overdrachtsbelasting’. Zie tevens S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (2)’, p. 147.
Zie tevens Asser-Snijders, 7-III Bijzondere overeenkomsten, Pacht, nr. 240.
Ministeriële regeling, 21 februari 1996, nr. VW 95/995M, Stct. 1996, 39, V-N 1996, p. 1039, punt 22 en p. 2819, punt 24. Zie tevens J.A.M. Klinkert-Cino, ‘Een wandeling door rapporten van VROM’, in: FBN 1996/25, alsmede F.A.M. Schoenmaker, ‘Ontwikkelingen inzake de toepassing van artikel 15.1.1 (en 15.1.q) WBR’.
Aldus M.J.P.C. Steinbusch, ‘Vrijstelling hervestiging landbouwbedrijven’, p. 7. Zie tevens J.A.M. Klinkert-Cino, ‘Een wandeling door rapporten van VROM’. Zie ook Hof Arnhem 4 april 2000, ECLI:NL:GHARN:2000:AA6569, waar geoordeeld werd dat ook een voorbereidingsbesluit als bedoeld in art. 21 Wet RO viel onder het begrip ‘planologische maatregelen van de centrale overheid of decentrale overheden’. Zie ten slotte F.A.M. Schoenmaker, ‘Ontwikkelingen inzake de toepassing van artikel 15.1.t (en 15.1.q) WBR’, alsmede J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.23.
Aldus M.J.P.C Steinbusch, ‘Vrijstelling hervestiging landbouwbedrijven’, p. 7 wijst er in dit kader op dat het begrip ‘afstaan’ niet is gedefinieerd, noch in de tekst van de vrijstelling, noch in de regeling. Het is evenmin een civielrechtelijk begrip. Hetzelfde geldt ten aanzien van het begrip ‘inbreng’ uit art. 85 WILG. Zie hiervoor grenspost 1, hfdst, II, onderdeel C.4.f.
Hof Arnhem 4 april 2000, ECLI:NL:GHARN:2000:AA6569. Zie tevens nt. 28 hiervoor.
Zie Kamerstukken II 1995/196, 24423, nr. 8 (Nota van Wijziging), V-N 1995, p. 4125, punt 9. Zie tevens S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (2)’, p. 148.
Aldus M.J.P.C. Steinbusch, ‘Vrijstelling hervestiging landbouwbedrijven’, p. 8. In dezelfde zin S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (2)’, p. 148.
Zie voor de mogelijke samenloop met de ‘oude’ cultuurgrondvrijstelling na hervestiging onderdeel C.l.c hierna.
Hof Den Bosch 22 oktober 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0600.
Zie nader grenspost 1, hfdst ïï, onderdeel B.9.
Zie nader grenspost 1, hfdst ïï, onderdeel F.3 en F.5.
Dit is, gezien de afschaffing van onderdeel t per 1 januari 2007 (zie hierna) een zuiver theoretische opmerking. De ‘hervestigingsvrijstelling’ en de WILG-kavelruil hebben elkaar immers nimmer overlapt.
Zie nader grenspost 1, hfdst I, onderdeel G.6 en grenspost 2, hfdst. II, onderdelen C.2 en C.3.
Tot 1 januari 2007 was in onderdeel t de vrijstelling ‘bedrijfsverplaatsing landbouwbedrijven’ opgenomen. Deze op 1 januari 1996 in het kader van de lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf1 ingevoerde vrijstelling was primair bedoeld om bedrijfsverplaatsingen in de landbouw te stimuleren. Indien men ten gevolge van bepaalde overheidsmaatregelen (in het kader van natuurontwikkeling of in verband met planologische maatregelen) gedwongen was het bestaande bedrijf te verkopen en te verplaatsen naar elders, diende de overdrachtsbelasting geen knelpunt te zijn en konden de (vervangende) landerijen vrij van overdrachtsbelasting worden verkregen.2 De vrijstelling gold enkel voor landerijen.3 Opstallen en ondergrond daarvan vielen niet onder dit begrip.
Voorwaarde daarbij was dat de waarde van de nieuw verkregen landerijen de waarde van de oude niet oversteeg. Dezelfde systematiek werd overigens gehanteerd in de ‘ruilingsvrijstelling’ van onderdeel s, zoals deze tot 1 januari 2007 heeft gegolden.4
Dat het ‘surplus’ niet onder de vrijstelling viel, werd verklaard met het argument dat de overheid met deze vrijstelling bedrijfsuitbreidingen niet wilde faciliteren.5 Als waarde gold de waarde in het economisch verkeer, waarbij de invloed van de bestemmingswijziging buiten beschouwing werd gelaten.6 Op dit punt is een mooie parallel te ontwaren met het pachtrecht, alwaar in artikel 7:377 lid 4 BW, een bepaling die ziet op de schadeloosstelling van de pachter na ontbinding van de pachtovereenkomst en waar is geregeld dat bij het bepalen van de hoogte van de schadeloosstelling rekening gehouden wordt met de mogelijkheid dat de pachtovereenkomst zou zijn verlengd, de bestemmingswijziging weggedacht.7
In de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting hervestiging landbouwbedrijven van 21 februari 19968 was bepaald wanneer sprake was van ‘hervestiging’ als bedoeld in de wettekst. Het moest daarbij gaan om het geheel of gedeeltelijk verplaatsen van een landbouwbedrijf, waarbij een verkrijging van landerijen gelegen buiten een herkomstgebied plaatsheeft in samenhang met het afstaan van binnen een herkomstgebied gelegen landerijen. Het begrip ‘herkomstgebied’ was, kort samengevat, ofwel een gebied waar sprake was van realisatie van de EHS of strategische groenprojecten, ofwel een gebied waarvoor een landinrichtingsplan als bedoeld in (onder meer) de Landinrichtingswet was vastgesteld, ofwel een gebied waarvan de grond als gevolg van planologische maatregelen van de centrale overheid of decentrale overheden was of zou worden bestemd voor niet-agrarische doeleinden.9
De hervestiging moest voorts, op grond van artikel 4 lid 1 van de regeling, plaatsvinden binnen dertien maanden na het afstaan10 van de landerijen. In de rechtspraak is bepaald dat ingeval van verkoop van de eigendom van de grond, de afstand plaatsvindt op het moment waarop de landerijen worden geleverd.11 Tot slot dienden de afgestane landerijen buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf te worden aangewend. Daarvoor was een termijn van uiterlijk zes jaar bepaald:12 als binnen de termijn van zes jaar de verkochte gronden niet aan het agrarische gebruik zouden zijn onttrokken, zou de overdrachtsbelasting alsnog dienen te worden voldaan, In verband met deze ‘volgtermijn’, die zeer wel raakvlakken heeft met de volgtermijn van de nieuwe cultuurgrondvrijstelling, zoals hierna in onderdeel C.3 zal blijken, pleegde men bij de verkoop van het landbouwbedrijf dikwijls een clausule in de leveringsakte op te nemen, waarbij werd bedongen dat de landerijen binnen de zesjaarstermijn aan de agrarische sector werden onttrokken, gevolgd door een boeteclausule en kettingbeding.13 Ook dit is een opvallende parallel met de werkwijze ten aanzien van de nieuwe cultuurgrondvrijstelling.14
Uit de rechtspraak bleek dat ook bij vrijwillige bedrijfsverplaatsing vanuit een herkomstgebied een beroep op de vrijstelling mogelijk was, mits in het betreffende gebied sprake was van realisatie van de EHS of strategische groenprojecten.15 Op dit punt is uiteraard een parallel met de kavelruil te trekken, Bedrijfsverplaatsing op vrijwillige basis via een kavelruil is onder het regime van de WILG expliciet benoemd in de wettekst16 Daarmee is een dergelijke bedrijfsverplaatsing civielrechtelijk mogelijk en fiscaal volledig (inclusief opstallen ! ) gefaciliteerd. Of ook kan worden geprofiteerd van de provinciale subsidiëring is onder meer afhankelijk van de provincie(s) waarin de diverse onroerende zaken gelegen zijn.17 Mede door deze rechtsontwikkeling is voor een vrijwillige bedrijfsverplaatsing geen behoefte meer aan de vrijstelling van onderdeel t.18 Ook voor kavelruilen onder het regime van de Landinrichtingswet kan eenzelfde conclusie worden getrokken, zij het met enige voorzichtigheid, gezien de mogelijk vernietigende werking van de ‘objectieve verbeteringseis’ op civielrechtelijk, fiscaal en subsidiëringsgebied.19