Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.4
8.3.4 Analoge toepassing van de pandrechtbepalingen op zekerheidseigendom
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS417138:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Eggens 1929, p. 537 e.v. Om die reden verschenen er zeven jaar na het Bierbrouwerij-arrest twee preadviezen van de Broederschap der Notarissen over de werking van zekerheidseigendom en hoe de wetgever het recht zou kunnen verbeteren. Zie: Correspondentie-blad van de Broederschap der Notarissen in Nederland 1936. Het ene was van De Lange en het andere was van Meijers. Ook enkele jaren voor de invoering van het BW van 1992 was het karakter van zekerheidseigendom nog niet uitgekristalliseerd. Zie: Van Mierlo 1988, p. 11 e.v.
HR 3 januari 1941, NJ 1941/470.
Dit was al eerder door o.a. Van Nierop bepleit. Zie: Van Nierop 1928, p. 27 e.v.
Meijers 1936, p. 255; Asser/Scholten 1945, p. 452; Asser/Van Oven 1967, p. 105; Pitlo 1942, p. 326; Van Mierlo 1988, p. 164; Vgl. Reehuis 1987, nr. 196-200. Anders: Jarolímek 1956, p. 22.
Zie voor een overzicht van deze discussie: Veenhoven 1955, p. 82 e.v.
Zie voor een overzicht van deze discussie: Van Mierlo 1988, p. 14 en 24. Vgl. Lange 1936, p. 186; Meijers 1936, p. 264; Wiarda 1937, p. 132; Pitlo 1942, p. 335 e.v.; Asser/ Scholten 1945, p. 453; Veenhoven 1955, p. 28; Asser/Van Oven 1967, p. 104; Snijders 1970. p. 30; Pos 1970, p. 212.
Vgl. Pres. Rb. Arnhem 17 oktober 1951, NJ 1952/350; Hof Arnhem zoals weergegeven in HR 30 januari 1953, NJ 1953/578 (Doyer en Kalff/Bouman q.q.) m.nt. Ph.A.N. Houwing.
HR 18 februari 1994, NJ 1994/462 (Nijverdal Ten Cate/Wilderink q.q.) m.nt. W.M. Kleijn.
HR 30 januari 1953, NJ 1953/578 (Doyer en Kalff/Bouman q.q.) m.nt. Ph.A.N. Houwing.
De precieze werking van zekerheidseigendom was geen uitgemaakte zaak.1 In het arrest Boerenleenbank Hazerswoude/Los heeft de Hoge Raad een nadere invulling gegeven aan de werking van zekerheidseigendom in faillissement.2 Het college heeft geoordeeld dat de bepalingen uit de Faillissementswet over pand- en hypotheekrecht analoog van toepassing waren op zekerheidseigendom. Verschillende auteurs hebben de analoge toepassing van de regels van pand- en hypotheekrecht ook buiten het faillissementsrecht bepleit.3 Zo werd bepleit dat de schuldeiser verplicht was de zaak in het openbaar te verkopen, indien de schuldenaar in verzuim kwam.4 Het stond ter discussie of een zekerheidseigenaar bij een executieverkoop af mocht wijken van de dwingendrechtelijke bepalingen van het pandrecht.5 Sommige auteurs beschouwden zekerheidseigendom evenals het pandrecht als een accessoir recht.6 Indien de verzekerde vordering was voldaan, viel de eigendom volgens hen automatisch terug aan de schuldenaar; een retro-overdracht was niet vereist.7 In het arrest Nijverdal Ten Cate/Wilderink q.q. heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat zekerheidseigendom niet accessoir is, maar dat partijen wel de vrijheid hebben om eigendom onder ontbindende voorwaarde over te dragen.8
De vordering waarvoor een schuldeiser eigendom tot zekerheid overdroeg, kon ook toekomstig zijn. Een specifieke aanduiding was niet vereist. De Hoge Raad heeft in 1953 geoordeeld dat ‘te zijner tijd, aan de hand van de overeenkomst – en, zo nodig van de wet, in het bijzonder van de artt. 1374 en 1375 B.W. – moet kunnen worden vastgesteld, tot zekerheid van welke schulden het op de in eigendom overgedragen zaken verleende recht van verhaal strekt.’9 In deze zaak had de schuldenaar eigendom tot zekerheid overgedragen voor al hetgeen zijn schuldeiser uit welke hoofde ook te eniger tijd van de schuldenaar te vorderen zou hebben.