De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.1.2:8.3.1.1.2 Het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2014
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.1.2
8.3.1.1.2 Het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2014
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232231:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 19 december 2014, nr. BLKB2014/1415M, onderdelen 3.1 en 3.2. Hoewel de aanhef van het besluit doet vermoeden dat de wijzigingen betrekking hebben op de inkomstenbelasting, ziet het beleid op toepassing van artikel 5b e.v. AWR en heeft daardoor ook gevolgen voor de erfbelasting. Zie over dit besluit S.J.C. Hemels, ‘Anbi-actualiteiten uit Den Haag’, FBN 2015/11.
Besluit van 19 december 2014, nr. BLKB2014/1415M, Stcr. 2014, nr. 36877, onderdeel 3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om het ANBI-regime ten deel te vallen moet niet alleen aan de twee hiervoor genoemde materiele eisen worden voldaan, maar geldt daarnaast de formele eis van rangschikking. Vanwege de eis van rangschikking wordt de bij dode opgerichte stichting geconfronteerd met twee problemen. Het eerste probleem is dat de verkrijging samenvalt met de oprichting, maar dat de stichting dan nog niet is gerangschikt als ANBI. Het andere probleem is, dat het goed denkbaar is dat de bij dode opgerichte stichting niet kan worden gerangschikt als ANBI omdat haar statuten niet geheel in overeenstemming zijn met de ANBI-regeling. Dit laatste zou het geval kunnen zijn doordat de uiterste wilsbeschikking waarbij de stichting wordt opgericht geruime tijd voor het overlijden van de erflater is opgemaakt. Voor beide problemen heeft de staatsecretaris van Financiën goedkeurend beleid gepubliceerd in onderdeel 3 van zijn besluit van 19 december 2014.1
Onderdeel 3.1 van het besluit van 19 december 2014 maakt het mogelijk dat de rangschikking als ANBI met terugwerkende kracht plaatsvindt. Dit kan in twee gevallen:
de instelling die op 1 januari van een kalenderjaar bestaat en in datzelfde kalenderjaar een verzoek doet om te worden aangemerkt als ANBI, kan met terugwerkende kracht tot 1 januari van datzelfde kalenderjaar worden aangemerkt als ANBI; en
een nieuw opgerichte instelling, die binnen een jaar na oprichting een verzoek doet om aangemerkt te worden als ANBI, kan met terugwerkende kracht tot de datum van oprichting worden aangemerkt als ANBI.
Voor de bij dode opgerichte stichting kunnen beide situaties van toepassing zijn. Het besluit voorkomt dat bij dode opgerichte stichtingen niet kunnen profiteren van het ANBI-regime waarop zij op grond van hun activiteiten wel recht hebben.
Onderdeel 3.2 van het besluit van 19 december 2014 is ook van groot belang. Zoals in hoofdstuk 4 is gebleken, kan geruime tijd verstrijken tussen het opmaken van de uiterste wil en het overlijden van de erflater. Zodoende is het mogelijk dat de statuten van de bij dode opgerichte stichting die bedoeld was als ANBI, niet (meer) voldoen aan de eisen van de ANBI-regeling. Wil de stichting toch als ANBI kunnen worden gerangschikt, dan moeten de statuten worden aangepast aan de ANBI-regeling. Hierbij doet zich het probleem voor dat de stichting pas vanaf het tijdstip van de aanpassing kan worden aangemerkt als ANBI. Voor de erfbelasting verkrijgt de stichting echter op het tijdstip van overlijden. Op dat tijdstip is de stichting geen ANBI, zodat geen recht bestaat op de vrijstelling voor erfbelasting. De staatssecretaris van Financiën acht dat ongewenst en heeft daarom goedkeurend beleid gepubliceerd. Goedgekeurd is dat voor de beoordeling of een bij dode opgerichte stichting kan worden aangemerkt als ANBI, wordt uitgegaan van de aangepaste statuten. Hiervoor gelden als voorwaarden:
de statuten worden aangepast binnen acht maanden na het overlijden van de erflater; en
de stichting schenkt niet of doet geen uitkering tot het moment waarop de stichting als ANBI is aangemerkt.2
De staatssecretaris neemt kennelijk als uitgangspunt dat de statuten van de stichting gewijzigd kunnen worden. De wet hanteert echter de regel dat de statuten van een stichting niet gewijzigd kunnen worden, tenzij de statuten anders bepalen (artikel 2:293 BW, zie 4.4.1.1). Als de statuten niet voorzien in de wijziging daarvan, rest slechts een beroep op de rechter (artikel 2:294 lid 2 BW). De rechter kan dan de statuten wijzigen als ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild. In 4.4.1.1.2 heb ik betoogd dat het beoordelingsmoment daarvoor bij de bij dode opgerichte stichting niet moet zijn het oprichtingstijdstip, maar het tijdstip van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking. Als het duidelijk is dat het erflaters wens was dat de door hem in het leven geroepen stichting zou kwalificeren als ANBI maar dat dit niet kan vanwege de in de tussentijd gewijzigde regels, volgt daaruit dat is voldaan aan het vereiste uit artikel 2:294 BW. De rechter kan dan de statuten wijzigen. Of de termijn van acht maanden daarvoor genoeg is, zal moeten blijken. Hier herhaal ik dat het verstandig is statutenwijziging mogelijk te maken om te voorkomen dat van de artikel 2:294 BW-procedure gebruik moet worden gemaakt.