Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.2.2:2.2.2 De Franse periode
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.2.2
2.2.2 De Franse periode
Documentgegevens:
L.A. Kjellevold Hoegee, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
L.A. Kjellevold Hoegee
- JCDI
JCDI:ADS574853:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Pot/Elzing/De Lange e.a. 2006, p. 134.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Franse periode (1795-1813) kan worden onderverdeeld in verschillende subperiodes, te beginnen met de Bataafse Republiek (1795-1805). De patriotten, die streefden naar meer invloed op het bestuur, zorgden met behulp van Frankrijk voor een omwenteling. De Bataafse Republiek ontstond. In 1802 kwam de regering van de Republiek in handen van één man, raadpensionaris Schimmelpenninck. Frankrijk, inmiddels onder leiding van Napoleon Bonaparte, wilde meer. De Bataafse Republiek werd eerst het Koninkrijk Holland (1806-1810), een vazalkoninkrijk van het Keizerrijk, met Lodewijk Napoleon als Koning. In 1810 werd Nederland ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Eind 1813 leed Napoleon verlies tegen Russische en Pruisische legers, waardoor delen van het keizerrijk, waaronder Nederland, hun onafhankelijkheid herkregen.
De centrale overheid werd tijdens de Bataafse Republiek georganiseerd volgens het schema van de trias politica. Men ziet een overgang van voornamelijk collegiaal naar een hoofdzakelijk eenhoofdig bestuur. Het Koningrijk Holland versterkte de positie van het centraal gezag nog verder. De koning stond aan het hoofd van het centrale, regionale en lokale bestuur. Het vertegenwoordigend lichaam – dat in deze periode verschillende benamingen kende – vertegenwoordigde vanaf nu het hele volk. Na de inlijving bij Frankrijk stond de Keizer aan het hoofd van de uitvoerende macht. De Franse bestuursorganisatie werd ingevoerd, waardoor Nederland in aanraking kwam met nog verder doorgevoerde centralisatie en rechtseenheid en kennis maakte met een geregeld bestuur dat geen standen meer kende.
Op regionaal gebied werden de provinciale statenvergaderingen na de Bataafse Omwenteling vervangen door vertegenwoordigende organen, die de hele bevolking van de provincie vertegenwoordigden. De ambten van stadhouder en raadpensionaris werden afgeschaft. Het heerlijke stelsel verdween. Het grondgebied werd verdeeld in departementen en gemeenten. Deze verdeling bleef gehandhaafd tijdens het Koningrijk Holland. De departementen werden bestuurd door de landdrost. Op gemeentelijk niveau werd vooral in grotere gemeenten het bestuur vaak gevoerd door een burgemeester en een aantal wethouders. Daarnaast bestond een algemene vertegenwoordiging van de burgers van de gemeente, genaamd de vroedschap. Na de inlijving werden de bestuurlijke en rechterlijke organisatie in de Hollandse departementen door keizerlijke decreten geregeld. Een aantal van de Franse wetten werden van toepassing verklaard. De departementen werden door prefecten bestuurd en de gemeenten door maires. De gemeenteraad – die slechts twee weken per jaar vergaderde – had vooral een adviserende rol inzake de begroting en controleerde de jaarrekening. In de grotere gemeenten werden de functionarissen door de Keizer benoemd, in de kleinere gemeenten door de maires.1