Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.10.1
2.10.1 Tekort aan financiële controle
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schuerman 2013, p. 45.
De Studiegroep Begrotingsruimte (SBR) is een interdepartementale studiegroep (onafhankelijk van het kabinet) die normaal gesproken voorafgaand aan verkiezingen en bij kabinetsformaties advies uitbrengt over de begroting van de Rijksoverheid en het toekomstig begrotingsbeleid en -doelstellingen.
Zie daarover paragraaf 2.10.2.
De parlementaire enquêtecommissie werd ingesteld op 24 maart 1983 en bracht op 10 december 1984 haar rapport ‘Opkomst en ondergang van Rijn-Schelde-Verolme’ uit.
Kamerstukken II 1984/85, 17 817, nr. 16, p. 456. Hoewel de commissie constateerde dat de Tweede Kamer tekort was geschoten in haar controlerende rol, heeft zij verder geen algemene aanbevelingen richting de Tweede Kamer gedaan om deze te verbeteren. De bestudering van één concern leende zich niet voor generalisatie, aldus enquêtecommissie, Kamerstukken II 1984/85, 17 817, nr. 16, p. 467.
Zo ook over het terugdringen van de verkokering in de Tweede Kamer, zie paragraaf 2.9.3.
De commissie voor de Rijksuitgaven werd belast met de ondersteuning van de vaste Kamercommissies die de hoofdstukken van de begroting onder zich krijgen om ze te helpen bij de uitoefening van het budgetrecht en de financiële controle. De voorbereiding van de begrotingsbehandeling zou in eerste instantie bij de vaste commissies moeten liggen. De commissie voor de Rijksuitgaven heeft vanaf 1995 (wederom) een vaste plaats in de het Reglement van Orde gekregen. Zie Kamerstukken II 1994/95 en 1995/96, 24 160.
Kamerstukken II 1985/86, 19 336, nr. 2, p. 24-29 (Rapport commissie Dolman).
Kamerstukken II 1985/86, 19 336, nr. 2, p. 27-28 (Rapport commissie Dolman).
Kamerstukken II 1983/84, 17 428, nr. 12 (herdruk) (motie Eversdijk c.s.). In deze motie werd de commissie voor de Rijksuitgaven verzocht om in samenspraak met de Algemene Rekenkamer een procedure te ontwikkelen, waardoor de Tweede Kamer inzake grote projecten effectief controle kon uitoefenen zowel op de besluitvorming als op de voortgangsrapportering van deze grote projecten.
Kamerstukken II 1984/85, 18 963, nr. 1. De Commissie overweegt daarbij dat de aanbevelingen, die zij in dit rapport doet, waarschijnlijk tevens van pas kunnen komen voor verbetering van de parlementaire controle in meer algemene zin.
De procedure is neergelegd in Kamerstukken II 1987/88, 18 963, nr. 8 (tweede herdruk).
Van Schagen 1994, p. 278-279.
Begin jaren tachtig van de vorige eeuw groeide zowel vanuit de regering als vanuit het parlement het besef dat het beheer en de controle van de overheidsfinanciën te kort schoot. Dit kwam onder andere door de gebrekkige interne administratie en controle binnen de Rijksoverheid. Tot 1982 werd het structurele begrotingsbeleid gevoerd. Onder dit begrotingsbeleid probeerde de overheid de economische cyclus over een middellange termijn te stabiliseren. Het overheidstekort dat als gevolg van de twee oliecrises in de jaren zeventig hoog was opgelopen kon met dit beleid echter niet worden teruggebracht. De regering greep vaak te laat in.1 Een in 1983 verschenen rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte2 getiteld ‘Een helder begrotingsstelsel’ constateerde problemen met de beheersing van de collectieve uitgaven en deed dan ook verschillende aanbevelingen gericht op de verbetering van een goede administratie binnen de Rijksoverheid. Dit resulteerde in de Operatie Comptabel Bestel.3 Daarnaast was ook de passieve rol van de Tweede Kamer mede debet aan de gebrekkige controle van de overheidsfinanciën.
De passieve rol van de Tweede Kamer kwam in het bijzonder aan het licht in de Rijn-Schelde-Verolme (RSV)-affaire. Het RSV-concern (een scheepsbouwbedrijf) had jarenlang financiële overheidssteun ontvangen, maar ging alsnog failliet waardoor veel overheidsgeld niet meer werd teruggezien. De naar aanleiding van de affaire verrichtte parlementaire enquête in 1983 en 19844 confronteerde de Tweede Kamer met haar tekortschietende rol als controleur (van de overheidsfinanciën). Volgens de enquêtecommissie was de Tweede Kamer ‘vaak afwezig, onoplettend of vergeetachtig.’5 Naar aanleiding van de gedachtewisseling over de RSV-enquête werd door de Kamer besloten om een commissie voor Onderzoek van de Organisatie en de Werkwijze van de Kamer (OOW) in te stellen.6 Taak van de commissie was om te onderzoeken ‘langs welke wegen verbetering zou kunnen worden verkregen van het toezicht van de Kamer op de regering.’ Onder leiding van toenmalig Kamervoorzitter Dolman werd het rapport van de commissie – ook wel de commissie Dolman – aangeboden aan de Tweede Kamer op 9 december 1985. In het rapport werden onder andere aanbevelingen gedaan om de Kamer in staat te stellen haar budgetrecht zo goed mogelijk uit te oefenen. Veel aanbevelingen werden opgenomen in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer of werden overgenomen door de regering.7 De aanbevelingen van de commissie Dolman hadden mede betrekking op de (coördinerende) rol van de commissie voor de Rijksuitgaven,8 de presentatie en indeling van de begroting en op de procedure van de begrotingsbehandeling, bijvoorbeeld over het tijdstip van het indienen van suppletoire begrotingen en de slotwet.9 Ten aanzien van de procedure van de begrotingsbehandeling deed de commissie ook het voorstel om een zogenaamd feitenonderzoek (fact finding) te introduceren.10 Tijdens dit onderzoek, dat plaats zou vinden in de Kamercommissies die de plenaire begrotingsbehandeling voorbereidden, stonden de financieel-technische aspecten van de begroting centraal. In 1986 werd voor het eerst geëxperimenteerd met deze onderzoeken.11 Sinds 1994 heeft het feitenonderzoek – tegenwoordig: begrotingsonderzoek – een plek gekregen in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer.
Grote uitgavenoverschrijdingen in het Oosterschelde-project en de constatering van de Algemene Rekenkamer dat de Tweede Kamer onvolledig was geïnformeerd over de financiële aspecten van het project,12 leidden tevens tot de constatering dat de Tweede Kamer tekort schoot in haar rol als controleur met betrekking tot financiële aspecten van grote projecten.13 De werkgroep Controle Grote Projecten ontwierp in 1985, onder dezelfde naam, een nieuw controle-instrument voor de Tweede Kamer.14 Het instrument moest ervoor zorgen dat de Tweede Kamer vooraf en tijdens de besluitvorming over grote projecten toereikend geïnformeerd werd om een afgewogen oordeel te vellen.15 De Tweede Kamer kon op deze manier ‘structureel en systematisch een vinger aan de pols houden’.16 De commissie Dolman nam de aanbevelingen van de werkgroep Controle Grote Projecten over. Een nieuwe Regeling Controle Grote Projecten is op 22 juni 2006 vastgesteld door de Tweede Kamer.17