Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.2.3
5.3.2.3 Betwistbaarheid
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715452:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Simester & Von Hirsch 2011, p. 64.
Packer 1969, p. 262-263; Peters 1966, p. 172. Vgl. ook: Yoon 2001, p. 18.
Zie ook: Concl. A-G N. Jörg, ECLI:NL:PHR:2000:AA8825, bij HR 5 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8825; EHRM 25 november 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:1125JUD002559494 (Hashman en Harrup v. Verenigd Koninkrijk). Het EHRM hanteert overigens een vanuit communitaristisch oogpunt nogal moeizaam onderscheid tussen de strafbaarstelling van ‘conduct likely to cause annoyance’ en ‘conduct which is wrong rather than right in the judgement of the majority of contemporary citizens’, waarbij het eerste wel duidelijk genoeg zou zijn, maar het tweede niet, omdat het eerste een beschrijving geeft van gedrag en het tweede niets over het gedrag zegt, maar over het morele oordeel van burgers over dat gedrag. Onder verwijzing naar het EHRM stelt A-G Jörg vervolgens dat de strafbaarstelling van schennis van de eerbaarheid ook voldoende duidelijk is, onder meer omdat het daarbij gaat om gedrag dat schaamte oproept. Het onderscheid lijkt mij echter uitermate wankel. Zowel die schaamte als de eerdergenoemde ergernis zijn mijns inziens niet los te zien van de morele opvattingen van de samenleving, die vermoedelijk nu juist aanleiding tot die schaamte en ergernis gaven.
Van de Wetering, Eckhardt & Bakker 2018, p. 164; Roxin 1997, p. 126. Roxin merkt op dat een dergelijke afweging tussen rechtszekerheid en individuele rechtvaardigheid tot een relativering van het belang van het legaliteitsbeginsel leidt (Roxin 1997, p. 127). Het belang van individuele rechtvaardigheid moet bij het opstellen van de wet worden meegewogen, niet achteraf door de rechter.
Vgl. Hol & Gribnau 1999, p. 184; Mulder 1987, p. 424.
Van der Wilt 2003, p. 57.
Artikel 83a Sr spreekt overigens van ‘ontwrichten’, maar ook dat lijkt een normatief oordeel te impliceren. De Engelse term ‘destabilising’ in het achterliggende Kaderbesluit lijkt daarentegen objectiever gekozen.
Hiervoor is al gebleken dat criteriale en graduele vaagheid vanuit communitaristisch oogpunt minder snel problematisch zijn dan vanuit liberaal oogpunt. Met name de noodzaak om betwistbare begrippen te vermijden, is vanuit communitaristisch oogpunt minder groot. Zoals gezegd is de rol van gepubliceerde wetgeving bij het verduidelijken van normen vermoedelijk vrij beperkt en wordt doorgaans vooral vertrouwd op het rechtsgevoel van burgers; het welbekende morele kompas.1 Dat is communitaristisch gezien niet alleen onproblematisch, maar zelfs wenselijk. Aan betwistbare begrippen kleven immers ook belangrijke voordelen. Wetten zouden – in deze logica – namelijk beter functioneren als ze aansluiten bij het rechtsgevoel van de samenleving.2 Niet voor niets komen wetgevers regelmatig met strafbepalingen die gedrag verbieden dat ‘contra bonos mores’, ‘likely to cause annoyance’, ‘wrong rather than right in the judgment of the majority of contemporary fellow citizens’, of – in de Nederlandse context – ‘voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel kwetsend’ is.3 Begrippen die direct of indirect normen en waarden tot uitdrukking brengen, zorgen ervoor dat het strafrecht aansluit bij het rechtsgevoel van de samenleving en voorkomen dat burgers ten onrechte veroordeeld worden voor gedragingen die niet strafwaardig zijn. De rechter krijgt dankzij het gebruik van woorden die een moreel waardeoordeel impliceren (zoals ‘redelijkheid’, ‘wederrechtelijkheid’ of ‘listigheid’) bovendien de ruimte om in individuele gevallen tot een rechtvaardig oordeel te komen.4 Zolang er binnen de samenleving consensus bestaat over de invulling van dergelijke normen, is er weinig tot geen noodzaak om deze te verduidelijken.5
Ter illustratie valt te wijzen op een begrip als ‘terrorisme’, dat – zoals hiervoor in §5.2.2.3 al aan bod kwam – niet neutraal is, maar een moreel oordeel impliceert dat ook sterk samenhangt met de politieke opvattingen van degene die het begrip hanteert.6 Of van een bepaalde organisatie kan worden gezegd dat zij een terroristisch oogmerk heeft, zal in hoge mate afhangen van de maatschappelijke opvattingen over de door die organisatie nagestreefde doelen. Zo vermoed ik dat de democratische Belarussische oppositie door de meeste Nederlanders niet als terroristische organisatie zal worden bestempeld, terwijl formeel-juridisch best kan worden betoogd dat zij voldoet aan het criterium dat zij de huidige fundamentele politieke, constitutionele, economische en/of sociale structuren in Belarus ernstig wil ontwrichten of vernietigen (artikel 140a lid 1 jo. 83a Sr).7 Iets vergelijkbaars zien we bij de vraag of de strijd van koloniale opstandelingen voor onafhankelijkheid en dekolonisatie terroristisch van aard was. Uit dat laatste voorbeeld blijkt ook mooi dat met verloop van tijd de maatschappelijke kwalificatie van wat terroristisch is, kan verschuiven. Het gebruik van betwistbare begrippen draagt op die manier ook bij aan de toekomstbestendigheid van wetten.