Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.6.8.1
2.6.8.1 Ontvankelijkheid or
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388496:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 31 mei 1996, NJ 1996, 694 (Lampe).
Hof ’s-Gravenhage 24 april 1981, NJ 1983, 5.
Hof ’s-Gravenhage 2 maart 1983, NJ 1984, 658.
Rechtbank Roermond 4 februari 1986, NJ 1987, 93.
President Rechtbank Haarlem 19 februari 1988, KG 1988,133.
Rechtbank Rotterdam 4 november 1994, JAR 1994/248.
Hof Arnhem 15 juli 2008, JAR 2008/314.
B. Geersing, P.F. van der Heijden, Rechtspraak medezeggenschapsrecht 1984 p. 194 (noot bij Ondernemingskamer 30 augustus 1984, Rechtspraak medezeggenschapsrecht 1984, nr. 38.)
W.J. Slagter, ‘Inspraak door zelfstandig overleg’, in: M. Mulder, W.J. Slagter, De zelfstandige ondernemingsraad groot en klein, Leiden/Antwerpen: H.E. Stenfert Kroese B.V. Wetenschappelijke en educatieve uitgevers 1982, p. 90.
P. van Schilfgaarde, J.W. Winter, J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 284
J.M.M. Maeijer, ‘Het belangenconflict in de onderneming-vennootschap: rechtsmiddelen en jurisprudentie’, in: J.M.M.Maeijer e.a., Ondernemingsraad en vennootschap, Deventer: Kluwer 1982.
Wanneer een besluit wordt genomen door een orgaan van de rechtspersoon, bestaat de mogelijkheid het besluit vennootschapsrechtelijk aan te tasten. Op grond van art. 2:14 BW is een besluit dat in strijd met de wet of statuten is genomen nietig en kan iedere belanghebbende ex art. 2:15 BW vernietiging van dat besluit van de rechtspersoon vorderen. De vernietigingsgronden zijn strijdigheid met (a) wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen, (b) de redelijkheid en billijkheid en (c) een reglement. Een belanghebbende is iemand die in zijn of haar eigen belang wordt geschaad door het besluit. 1 De vraag is of een or als belanghebbende kan worden beschouwd in een procedure ex art. 2:14-16 BW en, als deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, in welke gevallen de or gebruik kan maken van deze bevoegdheid. Kan de or bijvoorbeeld ook een beroep doen op art. 2:14-16 BW indien beroep ex art. 26 WOR openstaat? Ik zal eerst ingaan op de vraag of de or überhaupt ontvankelijk is in een procedure ex art. 2:14-16 BW en daarna de samenloop met andere procedures behandelen.
De jurisprudentie geeft geen eenduidig antwoord op de vraag of een or ontvankelijk is in een vennootschapsrechtelijke procedure tot nietigheid of vernietigbaarheid van een besluit. Het Hof ’s-Gravenhage oordeelde in 1981dat dit niet het geval is aanzien van een verzoek van de or tot vernietiging van een besluit tot benoeming van een commissaris, omdat de aanbeveling- en bezwaarrechten van de or waren geschonden. De belangrijkste grond voor deze beslissing was dat de or geen rechtspersoon is en daarmee procesbevoegdheid ontbeert. De omstandigheid dat de or ex art. 2:158 BW bevoegdheden toekomt ten aanzien van de benoeming van een commissaris maakte dit, naar het oordeel van het Hof, niet anders.2 Ook was van belang dat de or reeds gebruik had gemaakt van de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de benoeming. In 1982 herhaalde het Hof ’s-Gravenhage dit standpunt.3 De Rechtbank Roermond stelde zich daarentegen in 1986 op het standpunt dat de or, ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid, procesbevoegdheid ex art. 2:15 BW heeft. Zij wees daarbij op de memorie van toelichting waarin wordt overwogen dat individuele werknemers belanghebbenden zijn. De or moet als collectieve belangenvertegenwoordiger van deze werknemers, naar het oordeel van de rechtbank, dezelfde status toekomen.4 De President Rechtbank Haarlem kwam tot eenzelfde conclusie en overwoog: “Niettemin moet worden aangenomen dat de ondernemingsraad vertegenwoordigd door zijn voorzitter – buiten de in de art. 26 en 36 WOR geregelde gevallen – in rechte kan optreden waar dat in het belang is van en wenselijk is voor een doelmatige vervulling van de taak die de ondernemingsraad in de WOR is toegedacht. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan gevallen als het onderhavige, waarin de ondernemingsraad op de voet van art. 2:12 BW de vernietiging van het besluit van de Raad van Toezicht wenst te bewerkstelligen. Derhalve moet worden aangenomen dat de vernietigingsvordering van de or niet reeds zal afstuiten op niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van procesbevoegdheid.”5 De benoeming van een directeur werd vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat gemaakte afspraken zijn geschonden. De Rechtbank Amsterdam kwam tot het oordeel dat de or ontvankelijk is op basis van de omstandigheid dat hij een “bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkene” is’.6
Ook uit de parlementaire behandeling van de WOR 1998 blijkt dat de or de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het besluit kan inroepen. De minister overwoog: “Van hetgeen bij overeenkomst tussen ondernemingsraad en ondernemer is afgesproken en derhalve krachtens deze wet is bepaald kan de naleving worden verzocht krachtens art. 36, tweede lid, WOR. Het ligt in de rede dat partijen die weg volgen, zonder dat daarmee overigens andere mogelijkheden van rechtsvordering zijn uitgesloten (zoals kort-geding, de vordering uit onrechtmatige daad en de vernietiging van besluiten van rechtspersonen op grond van boek 2 BW).” Bij de wijziging van de structuurregeling in 2004 stelde de minister zich op het standpunt dat de sanctie op niet-naleving van het standpuntbepalingsrecht van art. 2:161a BW vernietigbaarheid ex art. 2:15 lid 1 sub a WOR is.7
Op basis van de hierboven besproken jurisprudentie en wetsgeschiedenis kom ik tot de conclusie dat een or als belanghebbende in een procedure ex art. 2:14-16 BW kan worden beschouwd en in dat kader ontvankelijk is. De oudere jurisprudentie, waarin op basis van het ontbreken van rechtspersoonlijkheid werd geconcludeerd dat dit niet het geval is, is naar mijn mening achterhaald. Inmiddels is algemeen aanvaard dat de or een bredere procesbevoegdheid heeft dan de gevallen waarin deze hem uitdrukkelijk door de wet is toegekend. Zo is de or ontvankelijk in een jaarrekeningprocedure, kan hij zich als belanghebbende voegen in een enquêteprocedure en kan hij een verzoek doen tot voorlopig getuigenverhoor.8 Ook Van der Heijden9 en Slagter10 zijn de mening toegedaan dat de orde bevoegdheid ex art. 2:14/15 toekomt. Hetzelfde geldt voor Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman, met dien verstande dat zij opmerken dat deze bevoegdheid niet betrekking heeft op alle besluiten (zie hierna).11 Ook Maeijer is deze mening toegedaan. Hij stelt: “Voorts wil ik benadrukken dat ik niet de mening deel dat werknemers of vertegenwoordigers en de betrokken vakorganisaties, in het geheel niet besluiten van de vennootschappelijke organen kunnen aantasten, omdat zij geen belanghebbenden zouden zijn in de zin van art. 11 lid 2 Boek 2 BW.” Bij de motivering van zijn standpunt wijst hij op het expliciet toevoegen van het belang van de onderneming in art. 2:140/250 BW met het doel geen voeding te geven aan de gedachte dat men geen acht zou behoeven te slaan op de belangen van werknemers.12