Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.4.2.3
2.4.2.3 Hoogte van het honorarium en tijdsregistratie
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652125:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/777, p. 995; Hepkema 2012, p. 730.
OK 23 april 1998, NJ 1998/699; JOR 1998/92, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Village Scaldia); OK 2 juli 1998, n.g. (Visser Stroopwafels).
Zie bijv. OK 8 maart 2021 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2021/72 (Omines Services) (€ 200); OK 25 juni 2020 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2020/116 (Wagenborg Bulk Terminal) (€ 250); OK 6 september 2021 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2021/172 (GVH Recycling) (€ 250); OK 19 december 2005, ARO 2006/18 (TCA) (€ 270); OK 27 juni 2018, JOR 2018/245, m.nt. R.M. Hermans (DeSeizoenen) (€ 275); OK 28 mei 2021 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2021/113 (Stichting Omroep Limburg) (€ 275); OK 26 november 2019 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2020/12 (Stichting Residentie Buitenzorg) (€ 275, exclusief 5% kantoorkosten); OK 27 november 2018 (r.o. 2.1), ARO 2019/33 (Clifden) (aanvankelijk € 295, en later € 250 – de onderzoeker verlaagde zijn uurtarief en zegde toe de totale kosten te beperken tot het verzochte verhoogde onderzoeksbudget); OK 23 oktober 2020, ARO 2020/188 (Permanento) (€ 300); OK 15 juli 2021, ARO 2021/139 (i3) (€ 325); OK 17 december 2021 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2022/12 (Veldman) (€ 350); OK 17 december 2021 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2022/13 (OG245) (€ 400).
Zie bijv. OK 18 december 2020 (r.o. 2), ARO 2021/29 (Verweij Mungra Vastgoed) (€ 250); OK 7 oktober 2020 (r.o. 2.1; 2.3), ARO 2020/182 (Stichting Katholieke Universiteit) (€ 275); OK 14 januari 2021 (r.o. 2), ARO 2021/47 (PGH Autogroep) (€ 310); OK 28 oktober 2021 (r.o. 2), ARO 2021/189 (PT Green Solutions) (€ 350); OK 10 december 2021 (r.o. 2), ARO 2022/32 (Breeze Amsterdam) (€ 350); OK 21 maart 2022 (r.o. 2), ECLI:NL:GHAMS:2022:988 (Funda) (€ 350); OK 7 november 2018 (r.o. 2.3), ARO 2019/28 (SNS) (€ 400 en € 425).
OK 7 oktober 2020 (r.o. 2.1; 2.3), ARO 2020/182 (Stichting Katholieke Universiteit) (€ 275).
OK 23 maart 2021 (r.o. 2), ARO 2021/85 (Dmarcian) (€ 300).
Klaassen 2010a, p. 90 en p. 96.
De Vries 2010, p. 440.
Hermans 2017, p. 187.
Anders nog OK 25 februari 2014 (r.o. 2.5), ARO 2014/75 (Biotempt), hoewel de Ondernemingskamer in een normaalsituatie wel een dergelijke uitsplitsing lijkt te verlangen.
Van der Grinten 1993, p. 175.
OK 7 november 2018 (r.o. 2.1), ARO 2019/28 (SNS).
Van der Grinten 1993, p. 175.
OK 7 november 2018 (r.o. 2.1), ARO 2019/28 (SNS).
Niet enkel op verzoek, als voorgestaan in Asser/Maeijer 2-III 2000/529 – waarin overigens niet duidelijk wordt gemaakt op wiens verzoek de vaststelling van de vergoeding van de door de Ondernemingskamer benoemde personen dan zou moeten plaatsvinden. In Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/777 komt dit standpunt niet terug.
Zie ook par. 6.4.7.4.
Zie ook Broere 2019b, p. 692. Een en ander is ook voorgesteld door Van der Grinten 1993, p. 175; Hermans 2017, p. 192-193. Anders Hanegraaf 2021, p. 234.
Vgl. art. 6.5 Recofa-richtlijnen. Per 1 januari 2022 is het basisuurtarief voor curatoren en bewindvoerders vastgesteld op € 229,60.
Vgl. art. 6.6 Recofa-richtlijnen; vgl. ook OK 19 december 2005 (r.o. 2.3), ARO 2006/18 (TCA). Zie ook Hermans 2017, p. 192-193, die hiernaast de mogelijke aansluiting bij de uurtarieven die het NAI voor arbiters hanteert en de vergoedingen die worden betaald aan de leden van door de overheid ingestelde onderzoekscommissies noemt.
Stelt het landelijk overlegorgaan van rechters-commissarissen in faillissementen en surseances van betaling geen tarief vast, dan wordt het basisuurtarief aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele verschil tussen het door het CBS opgegeven indexcijfer cao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, kolom ‘Overheid’ (juli-publicatie) van enig jaar en het overeenkomstige indexcijfer in het voorgaande jaar, zie art. 6.5 sub b Recofa-richtlijnen.
De Ondernemingskamer pleegt in de praktijk enkel het onderzoeksbudget vast te stellen; over het honorarium van de onderzoeker en toegestane te maken onkosten is doorgaans niets te vinden in de beschikking waarbij de Ondernemingskamer een onderzoek gelast.1 Mij zijn slechts twee gevallen bekend waarin de Ondernemingskamer bij toewijzing van het enquêteverzoek de onderzoeker een uurtarief voorschreef. In Village Scaldia bepaalde de Ondernemingskamer dat de onderzoeker voor zijn werkzaamheden een bedrag van f 300 per uur in rekening kon brengen; in Visser Stroopwafels was dat een bedrag van f 250 per uur.2
Doorgaans laat de Ondernemingskamer het echter aan de onderzoeker een uurtarief te bepalen. De Leidraad gaat daarbij in de bepalingen 4.1 en 4.5 uit van een uurtarief. Een dag(deel)tarief, weektarief of maandtarief ligt daarom niet voor de hand. Hanteert de onderzoeker een onredelijk uurtarief, dan kunnen partijen daartegen opkomen bij de Ondernemingskamer op de voet van art. 2:350 lid 3 BW. Ik vermoed dat de Ondernemingskamer een uurtarief niet snel als onredelijk zal kwalificeren. Uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer zijn uurtarieven bekend die variëren van € 200 tot € 425, die de Ondernemingskamer niet onredelijk achtte. Doorgaans overweegt de Ondernemingskamer slechts dat het gehanteerde uurtarief niet onredelijk is.3 In andere gevallen overweegt de Ondernemingskamer dat de gehanteerde uurtarieven niet onredelijk zijn, gezien de aard en omvang van de zaak, de te verrichten onderzoekswerkzaamheden en de kennis en ervaring van de onderzoeker.4 In Stichting Katholieke Universiteit voegde de Ondernemingskamer daar aan toe erop te vertrouwen ‘dat de onderzoeker voor ogen zal houden dat de universiteit en het UMC die door SKU in stand worden gehouden, uit publiek geld worden gefinancierd en dat dit noopt tot terughoudendheid bij het maken van onderzoekskosten.’5 In Dmarcian overwoog de Ondernemingskamer dat het gehanteerde uurtarief ‘redelijk [is, PB], gezien de aard en omvang van de zaak, de te verrichten onderzoekswerkzaamheden en de kennis en ervaring van de onderzoeker.’6 Dat de Ondernemingskamer hier het uurtarief ‘redelijk’ acht, en niet ‘niet onredelijk’, lijkt mij verder zonder betekenis; uit de beschikking blijkt ook niet van een meer dan marginale toetsing van het uurtarief.
Uit onderzoek van Klaassen uit 2010 volgt dat grote ondernemingen en belangenbehartigers van aandeelhouders, advocaten en onderzoekers betrokken bij enquêtes van grote ondernemingen menen dat onderzoekers een laag honorarium krijgen. Kennelijk is dat honorarium echter niet zo laag, dat het onderzoekers ervan weerhoudt nog een benoeming als onderzoeker aan te nemen. Klaassen merkt daarbij overigens op dat de honorering bij grote enquêtes in haar onderzoek nogal uiteen (b)leek te lopen.7 Een ander geluid komt van De Vries, die spreekt van ‘belachelijke advocatentarieven’ en een uurtarief van € 100 een net tarief acht.8
De onderzoeker doet er goed aan op voorhand afspraken te maken over welke tijdseenheid hij hanteert bij de registratie van zijn werkzaamheden. In de advocatuur wordt veelal gewerkt met vaste tijdseenheden van zes minuten. Ook curatoren kunnen gebruikmaken van vaste tijdseenheden van maximaal zes minuten.9 Omdat de Ondernemingskamer ook onderzoekers benoemt die geen advocaat (meer) zijn, schrijft Hermans zich te kunnen voorstellen dat de Ondernemingskamer bepaalt dat de onderzoeker die niet beschikt over een tijdschrijfsysteem zijn werkzaamheden per half uur mag specificeren.10 Ontoelaatbaar acht ik in ieder geval dat de declaratie van de onderzoeker slechts te herleiden is tot een bepaalde periode, niet nader gespecificeerd naar dagen en tijdstippen.11 Dit hangt samen met de verplichting van de onderzoeker te administreren welke kosten hij heeft gemaakt en nog verwacht te maken, waarover par. 2.10.
Worden meer onderzoekers benoemd, dan kunnen zij verschillende uurtarieven hanteren. Dat gebeurde bijvoorbeeld reeds in VHS, waarbij de ene onderzoeker een uurtarief van f 350 en de andere onderzoeker een uurtarief van f 250 hanteerde.12 Ook in SNS verschilden de uurtarieven, van € 400 tot € 425.13 In beide gevallen sanctioneerde de Ondernemingskamer dit niet. Van der Grinten schreef hierover eens:
‘Ik zou menen, dat bij een pluraliteit van onderzoekers, er geen termen aanwezig zijn om uit te gaan van verschillende uurtarieven. De onderzoekers hebben een gelijke taak, hun discipline – advocaat, accountant, ingenieur, bankier, enz. – doet niet ter zake. Naar mijn mening behoort de Ondernemingskamer bij een pluraliteit van onderzoekers het uurloon niet verschillend vast te stellen.’14
Ik ben het met Van der Grinten eens dat de hoofdfunctie van de onderzoeker niet een verschillend uurtarief rechtvaardigt. Het heeft evenmin mijn voorkeur een verschillend uurtarief te hanteren door de verdiscontering van onkosten hierin. In SNS werd bijvoorbeeld een opslag van € 25 op het uurtarief gerekend ‘doordat gebruik zal worden gemaakt van de infrastructuur en ondersteuning van het kantoor van [de onderzoeker, PB]’.15 De werkelijke hoogte van de onkosten kan in dat geval niet eenvoudig worden vastgesteld en is dan niet verschuldigd. De ervaringsfactor van de onderzoeker rechtvaardigt mijns inziens wel een verschillend uurtarief. Ik licht dit hierna toe in het kader van mijn bredere betoog tot standaardisering van uurtarieven van onderzoekers te komen.
Mijns inziens zou de Ondernemingskamer standaard inzage moeten geven in het uurtarief van de onderzoeker.16 Het zou ook niet de onderzoeker moeten zijn die zijn eigen uurtarief bepaalt. Bepaalt de onderzoeker zijn eigen uurtarief en is een financier betrokken, dan bestaat het risico dat de financier poogt invloed uit te oefenen op de hoogte van dit uurtarief.17 De Ondernemingskamer moet de onderzoeker naar mijn mening een maximum in rekening te brengen uurtarief opleggen bij de bepaling van een eerste onderzoeksbudget, voor het opstellen van een begroting (par. 2.5.2.3.4). Dat past ook in het voorschrift van art. 2:350 lid 3 BW dat de Ondernemingskamer de vergoeding van de door haar benoemde personen bepaalt. De Ondernemingskamer zou hierbij transparante vaste tarieven voor onderzoekers moeten hanteren, waarbij een regeling kan worden ontworpen in de Leidraad. Een onderzoeker weet dan ook waar hij aan toe is. Vindt hij het uurtarief te laag, dan kan hij een aanwijzing als onderzoeker afwijzen.18
Er moet daarbij wel voor worden gewaakt dat niet een tarief wordt gekozen dat onderzoekers ervan weerhoudt een benoeming als onderzoeker te aanvaarden. De Ondernemingskamer kan daartoe aansluiting zoeken bij de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling (‘Recofa-richtlijnen’), waarbij gebruikgemaakt kan worden van een standaard basisuurtarief,19 gecorrigeerd door een ervaringsfactor van de onderzoeker.20 Hoe meer ervaring de onderzoeker heeft als onderzoeker in de enquêteprocedure, hoe hoger de ervaringsfactor en hoe hoger daarmee het uurtarief en honorarium. Naarmate een enquête de Ondernemingskamer complexer en omvangrijker voorkomt, kan de Ondernemingskamer dan een ervarener onderzoeker benoemen. Een jaarlijkse aanpassing van het basisuurtarief op gelijke wijze als bij het basisuurtarief voor curatoren en bewindvoerders is gerechtvaardigd.21 Verricht een onderzoeker onderzoek in twee opeenvolgende kalenderjaren, dan kan de onderzoeker per kalenderjaar verschillende uurtarieven voeren.
Om ervoor te zorgen dat de door de onderzoeker gemaakte kosten beheersbaar blijven is overigens niet alleen de bepaling van het uurtarief van de onderzoeker van belang. Ook van belang is dat de Ondernemingskamer toezicht houdt op de door de onderzoeker gemaakte kosten. Zie hierover ook par. 2.7.4 en par. 2.10.