Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/7.3
7.3 Bepaalde bescheiden
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS452760:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
W.A. Hoyng, Vier procesrechtelijke wensen, In het nu, wat worden zal (Schoordijkbundel), Kluwer 1991, p. 108 schrijft dat het eerste struikelblok (hij zal 'horde' bedoelen) bij een exhibitieverzoek, te weten de beperking die wordt gegeven met de woorden 'onderhandse akte' snel is genomen omdat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om wat dit betreft het oude art. 1922 BW te beperken. Zie ook par. 2.2.1.
P.I.M. von Schmidt auf Altenstadt, Opening van zaken, TCR 2002, p. 13. Hij wijst er wel op dat de wetgever in art. 19 Rv heeft opgenomen 'alle bescheiden en andere gegevens' waarmee de indruk wordt gewekt dat er ook informatie bestaat die niet op bescheiden staat of onder bescheiden valt. A.I.M van Mierlo en J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg, Serie burgerlijk proces en praktijk, Kluwer, Deventer 2003, p. 73 lijken te zeggen dat de wetgever met de laatste zin van het eerste lid (onder bescheiden worden mede verstaan op een gegevensdrager aangebrachte gegevens) van art. 843a Rv ook toekomstige technische ontwikkelingen alvast onder het begrip bescheid heeft willen brengen. Aldus is de elektronische akte ook een bescheid in de zin van art. 843a Rv. Zie over die elektronische akte H.P.A.J. Martius, Enige opmerkingen aangaande wetsvoorstel 31.358 in het Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2008, p. 237-251. Laatstgenoemde verdedigt in Elektronisch handelsrecht, De juridische aspecten van elektronische communicatie in het handelsrecht, Deel 8 in de NTHR-reeks, uitgeverij Paris, 2008, p. 55-58 aan de hand van de laatste zin van lid 1 dat onder het begrip 'bescheiden' ook de elektronische gegevens vallen van een intemetprovider waaruit bijvoorbeeld blijkt dat een bericht via het internet naar een bepaalde geadresseerde is gestuurd. Het achterhalen hiervan kan van groot belang zijn indien verzending en ontvangst van een emailbericht moet worden bewezen. Volgens hem slaagt een vordering van de verzender tegen de provider waarin inzage wordt gevraagd van de 'verzendgegevens'. Een betreffende vordering tot inzage in elektronische ontvangstgegevens, voor zover bestaand, tegen de ontvanger is, zo begrijp ik hem, zonder meer toewijsbaar. P.M. Leerink, Schorsing van de dekking wegens te late premiebetaling, AV&S 2009, p. 92-99 is ook van mening dat de provider van de geadresseerde zo nodig met een beroep op art. 843a Rv kan worden gedwongen de noodzakelijke data aan te leveren. Onder die druk zal volgens hem het betwisten van de ontvangst van een emailbericht minder vaak voorkomen. Zie ook HR 25 november 2005, AU4019, JOL 2005, 683, Lycos-Pessers. In 'Hoe schriftelijk is elektronisch? Over post, e-post en e-akte', WPNR 6710 (2007), p. 456 merkt Martius in het kader van de waardering van voorgebracht bewijs op dat het ontvangstmoment van een elektronisch bericht niet eenvoudiger is te vervalsen dan dat van een gewoon schriftelijk bericht. B.T.M. van der Wiel, De exhibitieplicht (te) terughoudend opgevat, NbBW 2004, p. 59 is van mening dat de door een beleggingsbank met een klant opgenomen telefoongesprekken onder bepaalde bescheiden vallen.
Op Rb Zwolle 15 mei 2006, AY5717 na die van oordeel is dat een calculatie van een verkoopprijs in het algemeen niet kan worden aangemerkt als een bescheid in de zin van art. 843a Rv, tenzij het een stuk betreft dat door de verkoper reeds eerder aan de koper is afgegeven of toegezonden. Zie ook HR 29 januari 2010, BK2007: persoonlijke aantekeningen van de secretaris van het scheidsgericht of de arbiters zelf die tijdens of na de zitting zijn gemaakt van hetgeen tijdens de zitting is gezegd en voorgevallen, en waarin informatie is neergelegd over hetgeen door de partijen en de arbiters met betrekking tot de inhoud of de behandeling van de zaak op de zitting is meegedeeld, zijn bescheiden aangaande de rechtsbetrekking die tussen partijen in de arbitrage aan de orde is. Ook indien niet uitdrukkelijk is overeengekomen dat arbiters beslissingen, afspraken of erkenningen moeten vastleggen in een schriftelijk verslag, zijn arbiters gehouden dit op verzoek van een partij te doen.
Reeds in 1953 was het mogelijk om in sommige gevallen enkel met behulp van een bloedonderzoek vast te stellen dat een bepaalde man niet de vader van een kind was, aldus AG Eggens bij HR12 juni 1953, NJ 1954, 61 (bloedproefarrest). Ik wijs verder op het wetsvoorstel 31241, verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken, op 18 september 2008 in de TK aangenomen (zie voor meer daarover J. Schrover, Verplichte HIV-test versus het nemo teneturbeginsel, AA 2009, p. 298-305). In civiele zaken zijn reeds uitspraken gewezen waarin een verdachte/dader werd verplicht om bloed af te staan met het oog op een HIV-test. Zie HR 18 juni 1993, NJ 1994, 347 en HR 12 december 2003, NJ 2004, 117. In het laatstgenoemde geval werd een patiënt wiens bloed per ongeluk in aanraking kwam met een bloedende vinger van een opererende arts verplicht om bloed af te staan. De patiënt had niets onrechtmatigs gedaan.
J.F. Garvelink en P.F. Hopman, Verboden te vissen: informatieplicht van banken en afdwingbaarheid daarvan, Tijdschrift voor Effectenrecht 2004, p. 13 schrijven dat de woorden 'bepaalde bescheiden' met zich brengen dat een schot hagel niet voldoet. Eiser zal man en paard moeten noemen.
Rb Groningen 22 november 2002, NJ 2003, 102 gelast in het dictum 'afschriften van de stukken met betrekking tot de contractuele verhouding tussen Jonkman enerzijds en KPN Telecom respectievelijk de leveranciers dan wel onderhoudsmonteurs van computer en alarmbel anderzijds evenals de relevante correspondentie tussen genoemde partijen in verband met en naar aanleiding van de schade aan Dekker te verschaffen'.
W.P. Wijers en A.J. Haasjes, Exhibitie in het (ondememings)recht, 0 & F 2006, p. 53. Waar het voldoende is om slechts een deel van de boekhouding in te zien, hoeft niet de hele boekhouding ter inzage te worden gegeven.
Rb Amsterdam 3 november 2004, AR5041. Zie ook voor voldoende bepaald Rb Rotterdam 5 december 2007, BCO225, NJF 2008, 95 en Rb Dordrecht 19 december 2007, BC1176 (de volledige polisdocumenten).
Hof Amsterdam 17 juni 2008, BE2917. Rb Amsterdam 3 juli 2008, B9 6521 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 6521 in) geeft verlof tot inzage in met toestemming van de rechter in beslag genomen (elektronische) documenten betreffende de handel in Lifescan OneTouch test strips en/of verpakkingen, bijsluiters en/of andere productbescheiden of verpakkingsmaterialen voor Lifescan OneTouch test strips, houdende de merken van J&J.
Rb Rotterdam 1 april 2009, BI1747.
Rb Zutphen 7 mei 2003, JBPR 2003, 66. Ook een vordering tot inzage in alle stukken van een strafdossier is te algemeen en onbepaald van aard aldus de Rb Arnhem 12 april 2006, AY0152. Onvoldoende specifiek is volgens Rb Den Haag 20 februari 2008, B9 5659 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 5659 in) de vordering van Duplico om afschriften van alle licentieovereenkomsten van alle vennootschappen behorende tot de Philipsgroep die in een bepaalde periode zouden zijn gesloten die de naam 'Philips Only DVD Video and DVDROM DISC Patent License Agreement of Patent Manufacturing Agreement' dragen. Zij stelt dat zij op grond van contacten in de markt het vermoeden heeft dat Philips haar benadeelt ten opzichte van andere licentiehouders.
Rb Amsterdam 2 februari 2005, AT1558, JOR 2005, 71 oordelend dat een vordering op de voet van art. 843a Rv tot inzage in het volledige cliëntendossier dat X NV in het kader van het beheer van het vermogen van A BV heeft aangelegd geen 'vordering tot inzage in of het verstrekken van een afschrift van bepaalde, met name genoemde, bescheiden is'. Afwijzend wat inzage in het eigen volledige cliëntendossier bij de (voormalig) eigen advocaat betreft Rb Arnhem 11 april 2007, BA5534. Ook de vordering tot inzage (of afgifte) tegen een observatiebureau dat eiser in opdracht van een schadeverzekeraar had geobserveerd van het complete onderzoeksdossier wordt afgewezen omdat deze vordering niet voldoet aan het vereiste van bepaalde en met name genoemde bescheiden (Rb Zutphen 9 mei 2007, BB 1491). Afwijzend wat inzage in een schadedossier betreft hof Den Haag 12 juni 2007, S&S 2009, 34. Rb Utrecht 23 januari 2008, BC4019 is van oordeel dat een vordering om afschriften van 'het volledige dossier, in ieder geval bestaande uit: verzoek tot plaatsopneming, memorie van eis, memorie van antwoord/eis, memorie van repliek/antwoord, memorie van dupliek/repliek, memorie van dupliek, aantekeningen Teluy, aantekeningen Drost, akte na mondelinge behandeling, antwoordakte na mondelinge behandeling, aantekeningen Teluy, proces-verbaal plaatsopneming, correspondentie waaronder brieven, emailberichten en faxen tussen Drost en eiser en tussen gedaagde en eiser, aantekeningen/diverse stukken, foto's en CD-Rom van Zoelen, bankafschriften depositorekening, bouwvergaderingverslagen', voldoet aan het in art. 843a Rv bedoelde vereiste van 'bepaalde bescheiden'. Rb Zwolle-Lelystad 5 maart 2008, BD8262 wijst een vordering die ziet op 'alle bescheiden, van welke aard ook, voor zover verband houdend met de Turnkey-overeenkomsten en de objecten gebouw F en gebouw E' als te vaag af. Rb Arnhem 26 maart 2008, BC8823 oordeelt over inzage in bescheiden die zijn in beslaggenomen op grond van een verlof op een verzoek 'op het in gerechtelijke bewaring nemen van alle roerende zaken op de kantoor- en woonadressen van gedaagden'. Ballast Nedam stelt dat die in beslag genomen zaken betrekking hebben op fraude gepleegd door gedaagde(n). De zaken betreffen ordners, bankafschriften, correspondentie en computergegevens. Een nadere specificatie is er (nog) niet. De rechtbank: het standpunt van Ballast Nedam dat de bescheiden betrekking hebben op de fraude, kan ten dele juist zijn, maar dan alleen voor zover Ballast Nedam bedoelt dat het allerminst is uitgesloten dat zich onder die bescheiden bewijsstukken van de fraude bevinden omdat het plegen van frauduleuze handelingen dagelijks praktijk was. 'Daarmee zijn de stukken nog geen schriftelijke bewijsmiddelen waarvan Ballast Nedam de inhoud in beginsel kent zonder over de bewijsmiddelen zelf te beschikken. Haar vordering ... is ... (een) fishing expedition ... in die zin dat zij de bescheiden vooralsnog voor geen ander doel nodig kan hebben dan om na te gaan of de bescheiden nader bewijs van het door haar gestelde ...inhouden...' en voldoet daarmee niet aan de eis van art. 843a Rv dat zij bepaalde bescheiden moet betreffen. Zie ook Rb Utrecht 2 april 2008, BC8153 en Rb Utrecht 9 april 2008, BC9990.
Rb Arnhem 21 december 2005, AV1977, de vordering tot inzage in mogelijke verzekeringspolissen wordt afgewezen omdat 'Europe Flyer verlangt immers afschriften van een ongelimiteerde lijst van mogelijk bestaande verzekeringsstukken. Het gaat derhalve niet om specifieke bewijsmiddelen waarvan de inhoud bij haar in beginsel bekend is'. Indien inzage in de notulen van de vergaderingen van raden van bestuur en commissarissen over de jaren 1997, 1998 en 2000 wordt gevorderd voor zover die betrekking hebben op bepaalde transacties, is dat onvoldoende concreet gespecificeerd volgens het hof Arnhem 13 februari 2007, BA0018. Rb Den Haag 21 maart 2007, BC5652 wijst een vordering ex art. 843a Rv tegen de curator waarbij de curator aan de crediteur de volledige administratie moet overleggen subsidiair de crediteur zes weken toegang en inzage in die stukken moet geven af als te onbeperkt (er is geen beroep gedaan op art. 3:15j BW). Ook afwijzend wat inzage in financiële administratie betreft Rb Leeuwarden 24 juni 2009, BI9925. Hof Arnhem 17 april 2007, NJF 2007, 391 overweegt in een boedelscheidingsprocedure tussen voormalige echtgenoten, dat een vordering betrekking hebbend op 'de correspondentie (waaronder de verzonden documenten en de concepten daarvan) zoals gevoerd door Kindt Fb of diens kantoorgenoten bij Berk accountants en fiscalisten met achtereenvolgens de fiscus, de notaris, de huisbankier en de man, voor zover betrekking hebbende op de waardering en mogelijke overdracht van de Benpuck Tiel West BV, de Benpuck Batavierenweg BV en de eenmanszaak McDonald's ICronenburg alsmede de correspondentie van Kindt Fb, R. van Leeuwen RA en R. van Zanen RA betrekking hebbende op de uitbreiding van de kring van consolidatie zoals doorgevoerd in de jaarrekening van de Benpuck Holding BV over 2003, zulks over de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2006' teveel weg heeft van het vissen naar stukken. Rb Den Bosch 16 juli 2009, BJ2913 wijst af een vordering tussen erfgenamen naar inzage in a. successieaanslag en de aan de successieaangifte ten grondslag liggende bescheiden; b. jaarstukken, belastingaangiftes IB/VB en bijbehorende aanslagen; c. de bankafschriften, zowel zakelijk als privé, zowel lopende rekeningen als spaarrekeningen; d. schenkingen, bijbehorende aktes en aangifte/aanslag schenkingsrecht; e. notariële bescheiden betreffende de door vader bewoonde woningen, waaronder hypotheekaktes en overeenkomst, waaronder overeenkomsten van geldlening; ee. idem voor wat betreft de woning aan de Molenstraat 17; f. overzicht van investeringen in de woning dan wel zakelijke rechten, verbouwingen woningen derden, kopie offertes en betalingen; ff. idem voor wat betreft de start van het eigen bedrijf van Z; g. voor het overige alle onderliggende bescheiden omdat A ... vraagt om overlegging van een groot aantal bescheiden, waarbij hij zich kennelijk voorstelt dat een uitgebreide studie daarvan klaarheid zal brengen over een mogelijke toekomstige overbedeling van Z en vaststelling van onderbedeling van hemzelf... De bepaling van artikel 843a Rv bevat geen blanco cheque om ongebreideld bescheiden op te vragen die men graag met het oog op een en ander belang zou willen inzien of hebben;... Uit het feit dat A niet aangeeft welke stukken hij precies wenst te ontvangen maar vordert dat een groot aantal weinig bepaalde stukken wordt afgegeven, volgt reeds dat sprake is van een fishing expedition....'. Rb Rotterdam 12 augustus 2009, BJ5752 wijst inzage in een kredietdossier af als te algemeen geformuleerd.
Rb Zwolle-Lelystad 11 mei 2007, BA5021. Rb Rotterdam 9 januari 2008, BC4119 noordeelt dat onvoldoende bepaald is een vordering tot inzage in 'alle informatie die Amev via haar Brand Acceptatie Systeem heeft over een aantal met name genoemde polissen' en 'het volledige schadedossier'. Rb Amsterdam 23 juli 2008, B9 6517 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 6517 in) wijst af een vordering tot overlegging van 'alle door ATP gesloten overeenkomsten en/of alle door ATP met derden gevoerde correspondentie met betrekking tot het vervaardigen en openbaar maken van televisiecommercials, audioboardings, billboards en alle overige uitingen, met uitzondering van een bepaalde website, waarin of waarop gebruik is gemaakt van het portret van Meeus.' als niet omschreven op welke specifieke bepaalde bescheiden zij daarbij het oog heeft. Zie hierover G. van der Wal en F. van Schaik, Handhavingsinstrumenten in het intellectuele eigendomsrecht: het op de loer liggende risico van 'fishing expedions' vergt kritische rechterlijke toetsing, IER 2009, p. 119-123. Rb Rotterdam 29 juli 2008, BD9031: de tabaksfabrikant BAT, aansprakelijk gesteld door een roker, wenst die door de roker gestelde schade te verhalen op haar verzekeraar HDI. HDI vordert in dat verband van BAT onder meer 'alle zowel intern als extern opgemaakte rapporten die van belang zijn voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van BAT, de verslavende werking van sigaretten en de mogelijkheid te stoppen met roken, alle documenten die inzicht verschaffen in de aard en eigenschappen van tabak en de stoffen die tabak van nature bevat of die door bewerking ontstaan, zoals onder andere nicotine, en de waarde die die stoffen hebben voor sigaretten en alle documenten die inzicht verschaffen in de aard van alle eigenschappen van alle stoffen die naast tabak aan het eindproduct sigaret worden toegevoegd, zoals aromaten, conserveringsmiddelen, papier, filter, enz.' De rechtbank is van oordeel dat dit overwegend onvoldoende bepaald is en neigt naar het vissen naar stukken. Ook afwijzend Rb Breda 31 juli 2008, BD9054 vwb inzage in een in beslaggenomen harde schijf van een laptop van een bedrijfsjurist en Rb Utrecht 1 oktober 2008, BF7386 waar de gestelde fraude onvoldoende aannemelijk is zodat de vordering een vistocht is en Rb Arnhem 21 oktober 2008, BG3613 waar een crediteur tegen een curator inzage in de volledige financiële administratie van de failliet vordert en hof Amsterdam 2 december 2008, BG9051 omdat de gevraagde inzage is bedoeld om na te kunnen gaan of er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor een vordering uit wanprestatie en/of onrechtmatige daad tegen een ex-werknemer. Rb Utrecht 18 maart 2009, BH6128 overweegt dat een deel van de imagevordering van A, en wel het deel waarin inzage wordt gevorderde in 'alle gegevensdragers die communicatieverband houden met relaties van A, alsmede betaalverkeer van en naar relaties van A vanaf juni 2008' onvoldoende bepaalbaar is.
P. 417 Pari. Gesch. nieuw bewijsrecht, onder andere geciteerd in Rb Den Haag 27 juli 2005, AU5178. S. Hoogeveen, Fishing expeditions versus exhibitieplicht, Advocatenblad 2005, p. 680 meldt dat de bijzondere exhibitieplicht van art. 843a Rv ziet op de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel min of meer bekend is, maar dat zij niet in haar bezit heeft. W.P. Wijers en A.I. Haasjes, Exhibitie in het (ondememings)recht, 0 & F 2006, p. 53 verdedigen dat art. 843a Rv ziet op situaties waarbij de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een wederpartij weliswaar bekend is, maar zij dit niet in haar bezit heeft. Wesseling-van Gent schrijft in Van der Korst e.a., p. 106 dat het hierbij gaat om bepaalde, gespecificeerde bescheiden, zij het in de ruimste zin van het woord. De 'bepaalde bescheiden' moeten documenten en gegevens betreffen, waarvan men het bestaan weet of vermoedt, maar die men (slechts) niet onder zich heeft. H. Uittien, Gedwongen verstrekking van due diligence-rapportages, Tijdschrift voor de ondememingsrechtpraktijk 2007, p. 20 is van mening dat in de context van de vordering voldoende duidelijk moet zijn om welke bescheiden het gaat en om welke reden deze van belang (kunnen) zijn.
Ekelmans in zijn artikel in TCR 2005 en op p. 63 van zijn boek. Ook R.E.N. Ploum, Exhibitieplicht: nachtmerrie of noodzaak? In 'Leidse procesrechtelijke geschriften', Gouda Quint BV Arnhem, 1990, p. 61 en A.A.M. Menken, Exhibitieplicht ex art. 843a Rv, V&O 1998, p. 54 lijken deze uitleg voor te staan.
Respectievelijk hof Den Haag 20 mei 2003, S&S 2004, 59 (verzekeringspolis) en Rb Breda 14 januari 2004, JOR 2004, 70. Zo vermoedelijk ook Rb Rotterdam 23 februari 2005, BB6038, S&S 2009, 85.
Rb Utrecht 12 september 2007, BB3722, NJF 2007, 544.
Hof Den Haag 9 oktober 2007, BB6971. Ook zo Rb Arnhem 21 december 2005, AV1977 die een vordering tot inzage in mogelijke verzekeringspolissen afwijst omdat het niet gaat om specifieke bewijsmiddelen waarvan de inhoud bij eiseres in beginsel bekend is, en Rb Middelburg 5 april 2006, AZ0931overwegende dat art. 843a Rv ziet op de situatie 'dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij niet in bezit heeft en Rb Arnhem 25 juli 2007, BB1988.
Rb Den Haag 27 juli 2005, AU5178. Zie ook Rb Haarlem 18 juni 2008, BD6490. Hof Leeuwarden 13 januari 2009, BH2762 wijst af het volgens het hof 'verholen' verzoek van eiser, een mesothelioomslachtoffer, gestoeld op art. 843a Rv, dat Etemit haar dealerslij st in het geding moet brengen, omdat Etemit gemotiveerd heeft gesteld dat zij niet meer over dergelijke lijsten beschikt. Hof Arnhem 28 april 2009, B14184 overweegt dat het verweer dat het stuk niet bekend is, niet in de weg staat aan toewijzing van een vordering tot inzage. Aan toewijzing staat wel in de weg dat onvoldoende zeker is dat het gedaagde over het stuk kan beschikken. Zie ook Rb Rotterdam 19 juli 2006, AZ4042, NJF 2006, 556 en Rb Rotterdam 30 januari 2008, Zaak-/rolnummer 279904/HA ZA 07-674 waaruit blijkt dat indien voldoende vast is komen te staan dat het stuk niet bestaat, de vordering tot inzage als onvoldoende bepaald wordt afgewezen.
Rb Rotterdam 5 juli 2006, AY3959. Ook zo Rb Rotterdam 4 maart 2009, BH5652. Zie ook BR 3 januari 1997,1\111997, 451, m.nt. RIB. Het hof Den Haag passeerde in deze zaak als onvoldoende toegelicht het verweer van een moeder dat zij geen (mondelinge) informatie kan verschaffen betrekking hebbend op de vraag wie de vader van de eisende partij (haar dochter) is, omdat de verwekking door een verkrachting is geschied, mede omdat zij dit verweer pas voor het eerst in hoger beroep voert. Aldus kan worden verdedigd dat waar een partij pas in hoger beroep stelt dat de bescheiden niet bestaan, dit verweer als minder geloofwaardig kan worden gepasseerd indien niet duidelijk wordt gemaakt waarom dit pas voor het eerst in hoger beroep wordt aangevoerd. Zie ook Rb Rotterdam 23 februari 2005, BB6038, S&S 2009, 85
Rb Rotterdam 4 juli 2007, BA9918 overwegende dat de betreffende vordering strekt tot het door de andere partij fabriceren en vervolgens overleggen van een thans niet bestaand overzicht waarin gedaagde bepaalde, uit ruim 4.000 schadedossiers te putten gegevens zou moeten samenvatten. Als de ratio van de artt. 843a, 21 en 22 Rv al met zich kan brengen dat het vervaardigen van nog niet bestaande bescheiden kan worden gevergd, zijn in deze zaak te omvangrijke werkzaamheden te verwachten om een vordering toe te wijzen.
Rb Utrecht 13 februari 2008, JAR 2008, 83. H.A. Dragstra trekt in De exhibitieplicht in het arbeidsrecht, Tijdschrift Recht en Arbeid 2009, afl. mei 2009 op p. 16 uit dit vonnis de conclusie dat er op voet van art. 843a Rv kan worden gevorderd dat uit een bestaand bestand een nieuw bestand (lijst) dient te worden gemaakt ten behoeve van inzage. Ik weet dit niet zo zeker omdat het erop lijkt dat de werkgever niet het verweer heeft gevoerd dat om inzage in een niet bestaande lijst wordt gevraagd, terwijl uit HR 6 oktober 2006, NJ 2006, 547, JBPR 2007, 6, m.nt. I.G.A. Linssen, AA 2007, p. 371-374, m.nt. H.B. Krans, Meijer-VOF Gebr. Comelis blijkt dat een rechter bij een procedure op de voet van art. 843a Rv niet ambtshalve mag controleren of aan alle bestanddelen is voldaan. Rb Amsterdam 31 december 2008, BH1550, NJF 2009, 85 oordeelt dat niet kunnen vinden niet betekent dat het stuk niet bestaat.
De woorden 'bepaalde bescheiden' werden pas bij de wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met ingang van 1 januari 2002 in art. 843a Rv opgenomen. Voor die tijd kon volgens de letterlijke bewoordingen van art. 843a Rv alleen inzage van onderhandse aktes worden gevorderd.1
Bij het bestanddeel 'bepaalde bescheiden' rijzen de volgende vragen: wat valt onder 'een bescheid', hoe bepaald moet 'bepaald' zijn, moet de inhoud van het bescheid bekend zijn en, tenslotte, hoe zeker moet het bestaan van het bescheid waarvan inzage wordt gevorderd zijn.
Von Schmidt auf Altenstadt is van mening dat het woord 'bescheid' een ruime omschrijving verdient.2 Film, foto, video, geluidsbanden, computerbestanden, het valt er volgens hem allemaal onder. Daar lijkt niemand anders over te denken en in de jurisprudentie zijn evenmin beperkingen te vinden.3 Een tot dusverre nog niet gestelde en beantwoorde vraag is wat ik maar noem 'de DNA-vraag'. In de biologie zijn een losse haar, een druppel bloed, wangslijm, enz. dragers van gegevens. Die gegevens bestaan dan uit het DNA. Zijn deze objecten daarmee ook bescheiden in de zin van art. 843a Rv? Uit niets in de parlementaire geschiedenis blijkt dat bij 'bescheiden' in de eerste zin van lid 1 van art. 843a Rv aan andere zaken is gedacht dan aan door mensen gemaakte zaken die bestemd zijn om gegevens te dragen. Daarmee worden voorwerpen als een haar, een druppel bloed en wangslijm uitgesloten indien art. 843a Rv wetshistorisch wordt uitgelegd. Uit de zinsnede 'op een gegevensdrager aangebrachte gegevens' in de laatste zin van dit lid, kan volgens de letterlijke tekst evenmin worden afgeleid dat de genoemde zaken 'bescheiden' kunnen worden genoemd. Ik meen tenminste dat met het woord `aangebracht' een bedoelde of onbedoelde menselijke handeling wordt bedoeld. DNA is niet door menselijk handelen op een losse haar, een druppel bloed of wangslijm aangebracht.
De laatste zin van lid 1 van art. 843a Rv luidt volledig 'Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens'. Uit het woord 'mede' dient afgeleid te worden dat deze zin een eneuntiatieve opsomming geeft. Aan de hand daarvan kan worden verdedigd dat een losse haar, een druppel bloed en wangslijm 'bescheiden' in de zin van art. 843a Rv zijn. Het gaat mij echter te ver om het menselijk lichaam of onderdelen daarvan zoals haren in dit verband een 'bescheid' te noemen zonder expliciete instemming van de wetgever. Die instemming dient dan rekening te houden met art. 11 Gw, het artikel waarin de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam is neergelegd.
Wel een bescheid waarvan in het kader van bijvoorbeeld een vaderschapsactie inzage kan worden gevraagd, is het kaartje van de bloedbank van een persoon, bijvoorbeeld een bloeddonateur, waarop bloedgroep en resusfactor staan. Met de informatie verkregen na inzage in dit kaartje, kunnen de eerste stappen op weg naar het antwoord of een bepaalde man de vader van een kind is, zonder meer worden gezet.4
Het woord 'bepaald' voorkomt het maken van vistochten.5 Er kan echter bij wijze van spreken wel om 'vrachtwagens papier' worden gevraagd.6 Het gaat erom dat de vordering betrekking moet hebben op bepaalde, dus concreet aangeduide, bescheiden. Met de woorden 'bepaalde bescheiden' wordt echter niet bedoeld dat elk stuk met naam, toenaam en datum gespecificeerd moet worden. Het gaat erom dat in het licht van de vordering voldoende duidelijk is om welke bescheiden het gaat en om welke reden zij van belang zijn en dat de plicht om inzage te geven niet verder strekt dan noodzakelijk is.7
Voldoende bepaald is een vordering tot inzage van Aegon tegen Dexia in alle documenten die betrekking hebben op de mate waarin Dexia als koper van de Bank Labouchere in het kader van het door Dexia gedane due diligenceonderzoek enkele risico's in de onderneming van Labouchere heeft onderkend,8 een vordering tegen een aandeelhouder om inzage in het aandeelhoudersregister9 een vordering tot het verschaffen van afschriften van
`agenda's, notulen, agendastukken etc. met bijlagen van de Raad van Toezicht van PWS over de periode 15 juli 1998- 31 december 2005 voor zover daarin sprake is van de projecten Aelbrechtskade, Giam-pakketten, Rijnhotel, TKN-pakketten A+13, Vissersdijk, ATTA-pakket, Schoterbos, St. Jacobsplaats, Woonplus I en II, Slaakhuys, Rijnhotel, Pleinweg, Dunehold, Hooge Marinier en Branderspoor'.10
Onvoldoende bepaald is een verzoek tot inzage in 'de volledige correspondentie' tussen de Rabobank en partij B over de periode november 2001 tot en met april 2002, betrekking hebbend op de ingeleide executoriale verkoop,11 een vordering tot inzage in een volledig cliëntendossier,12 een vordering tot inzage in justificatoire bescheiden waarmee opdrachtgeefster haar vorderingsrecht zou kunnen bewijzen, zoals een verklaring van de goederenverzekeraars van opdrachtgeefster in de vorm van een uitkeringsbericht of enig ander besluit van verzekeraars onder de polis met daarbij een door de directeur van opdrachtgeefster getekende verklaring omtrent de volledigheid daarvan.13 Een vordering tot veroordeling om over te leggen alle justificatoire bescheiden waaruit het inkomen en vermogenspositie van een alimentatieplichtige blijkt, is onvoldoende bepaald, waardoor de vordering van eiseres dreigt te ontaarden in vissen.14
In de literatuur wordt regelmatig verdedigd dat de inhoud van het bescheid waarvan inzage wordt gevorderd, bekend moet zijn. Ter verdediging van dit standpunt wordt gewezen op de parlementaire geschiedenis van het nieuwe bewijsrecht. Daar heeft de minister gezegd dat de zogeheten exhibitieplicht slaat op de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft.15 Ekelmans neemt dat letterlijk omdat hij opmerkt dat de praktijk niet meer zo terughoudend is als deze wetgever van 1988 omdat uit de nodige uitspraken inmiddels blijkt dat inzage wordt gegeven in bescheiden waarvan de inhoud volledig onbekend is en alleen het bestaan bekend.16 Hij acht een concrete omschrijving zodat duidelijk is waarop wordt gedoeld, voldoende.
Het hof Den Haag en de rechtbank Breda lijken van oordeel te zijn dat met `bepaald bescheid' niet wordt bedoeld dat de inhoud globaal bekend moet zijn. De verzoekende partij hoeft namelijk geen kennis van de inhoud te hebben.17 De rechtbank Utrecht is van oordeel dat voor zover de minister heeft gezegd dat de inhoud van de bescheiden waarvan inzage wordt gevraagd, bekend moet zijn, dat is gezegd in het kader van de wetsgeschiedenis van art. 843a Rv-versie 1988 en niet is herhaald in 2002. De opmerking van de minister is verder begrijpelijk onder de oude tekst gelet op de woorden 'onderhandse akte' in die tekst, terwijl verder een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad nog niet viel onder het woord rechtsbetrekking in art. 843a Rv. Ten slotte wordt inmiddels in de jurisprudentie een ruimere uitleg gehanteerd en zou een eis dat er kennis van de inhoud moet zijn slechts bij hoge uitzondering met zich brengen dat een recht tot inzage bestaat. Dat laatste verdraagt zich niet goed met de opmerking in de parlementaire geschiedenis dat in een geval als HIR 30 januari 1998, NJ 1998, 459 onder het nieuwe recht wel een recht tot inzage bestaat hoewel bij de verzoeker alleen het bestaan van de overeenkomst en niet de inhoud daarvan bekend was.18
Onder meer het hof Den Haag komt tot een ander oordeel waar het overweegt dat bij de totstandkoming van art. 843a Rv-nieuw niet is gebleken dat de minister is teruggekomen op zijn opmerking dat de exhibitieplicht slaat op de situatie dat de inhoud van een bewijsmiddel in beginsel wel bij de verzoekende partij bekend is.19
Het vierde probleem dat bij de uitleg van de inhoud van het begrip 'bepaalde bescheiden' aan de orde komt is de vraag hoe zeker het bestaan van het bescheid moet zijn.
Uitgangspunt is dat met voldoende zekerheid moet kunnen worden vastgesteld dat het stuk waarvan inzage wordt gevraagd bestaat.20 Bij een ontkenning van het bestaan van het bescheid waarvan inzage wordt gevorderd, brengt behoorlijke rechtspleging met zich dat een partij, mits die behoorlijk bewijs van het bestaan van het bescheid heeft aangeboden, wordt toegelaten bewijs te leveren dat het bescheid daadwerkelijk bestaat en wel op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv.21 De jurisprudentie is wisselend wat het antwoord op de vraag betreft of het stuk feitelijk al moet bestaan of dat er nog 'geknutseld' mag worden. De rechtbank Rotterdam is van oordeel dat het om een bestaand bescheid moet gaan22 , terwijl de rechtbank Utrecht oordeelt dat uit het volledige personeelsbestand een lijst moest worden gemaakt van werknemers en gewezen werknemers die vanaf 1 januari 2002 de bedrijfsvestiging van Oskam BV als vaste werklocatie hadden en/of hebben en een bedrijfvervoermiddel ter beschikking hadden gekregen.23