Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.3.3:3.3.3 RG 14 november 1933, RGZ 142, 231
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.3.3
3.3.3 RG 14 november 1933, RGZ 142, 231
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491184:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De bespreking van deze uitspraak heb ik grotendeels ontleend aan Ter Rele 2017.
D. 8.2.26.
Motive III, p. 480, Mugdan III, p. 267-268.
RG 9 juli 1932, RGZ 137, 324, 340; RG 8 mei 1931, RGZ 132, 355.
Motive III, p. 480, Mugdan III, p. 267-268.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
28. Een uitspraak van het Reichsgericht van 14 november 1933 gaat wederom over de vestiging van een erfdienstbaarheid, waarbij heersend en dienend erf dezelfde eigenaar hebben.1 Iemand is eigenaar van twee Grundstücke met de nummers 51 en 214. Op perceel 214 staat een steenfabriek. Op perceel 51 wordt klei gewonnen ten behoeve van die fabriek. Om financiering voor de steenfabriek te verkrijgen, dient de winning van klei van perceel 51 te worden ‘veiliggesteld’. Dat gebeurt met een erfdienstbaarheid die wordt gevestigd op perceel 51, en ten behoeve van perceel 214. Het servituut wordt op 13 oktober 1928 in het Grundbuch ingeschreven. De eigenaar van de beide percelen verzoekt in 1932 de inschrijving ongedaan te maken. Een erfdienstbaarheid waarbij heersend en dienend erf in handen zijn van dezelfde persoon, is volgens de eigenaar niet toegestaan.
Het Reichsgericht overweegt dat de ‘maßgebende Gesetzbestimmung’ van §1018 BGB in ogenschouw genomen moet worden. Volgens het Reichsgericht volgt uit die wetsbepaling dat bij een erfdienstbaarheid wel twee verschillende Grundstücke moeten kunnen worden onderscheiden, maar niet dat deze verschillende eigenaars dienen te hebben. De onderhavige erfdienstbaarheid voldoet daarom aan de vereisten van §1018 BGB. Het feit dat in §1020-1023 BGB regels worden gegeven over de verhouding tussen de eigenaars van heersend en dienend erf, doet daar volgens het Reichsgericht niet aan af, omdat deze regels niets zeggen over het wezen van de erfdienstbaarheid.
Het Reichsgericht vervolgt door te overwegen dat het BGB beperkte rechten op een eigen zaak erkent. Het gerecht verwijst naar §889, 1009 en 1196 BGB. Volgens die bepalingen gaan respectievelijk beperkte rechten op onroerende zaken niet door vermenging teniet, kan een gemeenschappelijke zaak worden bezwaard met een beperkt recht ten gunste van een mede-eigenaar, en kan een eigenaar een Grundschuld ten gunste van zichzelf vestigen. Hieruit volgt dat het adagium nulli res sua servit (aan niemand kan een erfdienstbaarheid op zijn eigen zaak toekomen)2 niet meer geldt. De bedenkingen in eerdere rechtspraak tegen erfdienstbaarheden waarbij heersend en dienend erf dezelfde eigenaar hebben, zijn volgens het rechtscollege niet steekhoudend. De omschrijving van het recht van erfdienstbaarheid in §1018 BGB bevat niets dat aan de vestiging van zulke servituten in de weg staat. Algemene rechtsbeginselen vormen evenmin een obstakel. Het behoort niet tot het wezen van de erfdienstbaarheid dat zij wordt gevestigd ten behoeve van een Grundstück van iemand anders, aldus het Reichsgericht.
Hierna onderzoekt het gerecht of een erfdienstbaarheid waarbij heersend en dienend erf dezelfde eigenaar hebben (Eigentümergrunddienstbarkeit) volgens de wet gevestigd kan worden. Mede op dat punt ging het in de uitspraak van 1901 immers mis. §873 Abs. 1 BGB bepaalt:
“Zur Übertragung des Eigentums an einem Grundstück, zur Belastung eines Grundstücks mit einem Recht sowie zur Übertragung oder Belastung eines solchen Rechts ist die Einigung des Berechtigten und des anderen Teils über den Eintritt der Rechtsänderung und die Eintragung der Rechtsänderung in das Grundbuch erforderlich, soweit nicht das Gesetz ein anderes vorschreibt.”
Het vereiste dat sprake moet zijn van Einigung, is problematisch omdat bij de vestiging van een Eigentümergrunddienstbarkeit slechts één partij betrokken is. Anders dan bijvoorbeeld bij de Eigentümergrundschuld (§1196 BGB), kent het BGB geen uitzondering op deze regel voor de erfdienstbaarheid. Volgens de Motive mag niet worden aangenomen dat de eigenaar een overeenkomst met zichzelf kan sluiten om te voldoen aan §873 BGB.3 De eerdere rechtspraak over de Eigentümergrunddienstbarkeit en hetgeen is opgemerkt in de Motive is echter niet doorslaggevend voor het Reichsgericht, omdat het doel van Einigung is dat niemand tegen zijn wil een recht kan verkrijgen. Als wordt toegestaan dat een Eigentümergrunddienstbarkeit kan worden gevestigd met een eenzijdige verklaring van de eigenaar, is aan dit vereiste voldaan (op deze manier kan ook een Eigentümergrundschuld gevestigd worden, §1196 Abs. 2 BGB). Hier komt bij dat een erfdienstbaarheid tot doel heeft, de verhouding tussen twee percelen te regelen. De toevallige omstandigheid dat deze twee percelen op enig moment in handen zijn van dezelfde persoon, mag geen obstakel zijn voor het kunnen vestigen van een erfdienstbaarheid, aldus het Reichsgericht.
Het rechtscollege maakt verder een vergelijking met zijn rechtspraak over het fideïcommis.4 In die rechtspraak is aanvaard dat iemand een geldlening kan aangaan en een recht van hypotheek kan vestigen ten gunste en ten laste van respectievelijk zijn vermogen dat behoort tot een fideïcommis en zijn overige vermogen, omdat het fideïcommis een afgescheiden vermogen (Sondervermögen) vormt.
Vervolgens kijkt het Reichsgericht naar de Motive. Daarin valt te lezen dat geen praktische behoefte bestaat aan de vestiging van erfdienstbaarheden waarbij heersend en dienend erf dezelfde eigenaar hebben.5 Die opmerking gaat volgens het gerecht voor de tegenwoordige (lees: anno 1933) economische verhoudingen niet meer op. Als voorbeelden noemt het rechtscollege de casus van de uitspraak van 1901 en het feitencomplex van de onderhavige zaak.
Het Reichsgericht komt tot de conclusie dat ook zonder uitdrukkelijk wettelijk voorschrift een uitzondering aangenomen mag worden op §873 Abs. 1 BGB. Een Eigentümergrunddienstbarkeit kan daarom tot stand komen zonder Einigung tussen twee verschillende personen. Een eenzijdige verklaring van de eigenaar is voldoende.6