Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.6.4
III.6.6.4 Tussenconclusie: Het ‘willekeurcriterium’ op losse schroeven
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623690:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771.
Van der Ploeg 1945, p. 106.
Vgl. hetgeen ik opmerkte in noot 108 van dit hoofdstuk.
Zie ook Kleijn 1969, p. 294: ‘Juist de goede trouw beperkt de willekeur van de aanwijzer en daarmee de schijn dat hij door de aanwijzing in feite zelf de beschikkingsmacht volledig uitoefent. Legt men deze criteria bij de delegatie en de aanwijzing aan, dan blijkt elke delegatie van de wil van de erflater mogelijk, mits niet onverstaanbaar, onmogelijk, in strijd met de wetten of in strijd met de goede zeden (curs. NB).’
Een handelen met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid voorkomt willekeur (paragraaf 6.6.3). Met dit besef en het besef dat de redelijkheid en billijkheid in het gehele vermogensrecht een rol speelt, kan de vraag worden gesteld welk gewicht er nog moet worden gehecht aan het door de minister gelanceerde ‘willekeurverbod’ voor uiterste wilsbeschikkingen.1 Indien de gedelegeerde zijn wil vormt met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid, hetgeen de gedelegeerde overigens mijns inziens op grond van de aan hem verleende bevoegdheid steeds zal moeten doen, zal immers nooit van willekeurig handelen door de gedelegeerde sprake kunnen zijn.
In dit kader wil ik nog wijzen op het antwoord dat Van der Ploeg gaf op zijn vraag of de erflater een derde kan laten beslissen of een testamentaire beschikking al dan niet zal gelden:
‘Reeds in het Romeinse recht werd deze vraag gesteld omtrent het door een derde laten beslissen van het al of niet gelden van een erfstelling of legaat. Ongeldig nu zal het zijn de beslissing over te laten aan het willekeurig oordeel van den derde, de erflater moet zijn uitersten wil zelf bepalen. Heeft echter de erflater verklaard, dat de derde moet beslissen met inachtneming van de door den erflater aangegeven richtlijnen of aanwijzingen, zoo staat geen wetsbepaling of rechtsbeginsel aan de geldigheid van de testamentaire bepaling in den weg. De derde is in zijn oordeel gebonden, zijn wil is door den erflater gedetermineerd, hij moet oordelen als een goed man naar redelijkheid en billijkheid (curs. NB).’2
Van willekeur kan anders gezegd enkel sprake zijn indien de gedelegeerde niet als ‘redelijk denkend mens’ handelt, ofwel indien hij de grenzen der redelijkheid passeert. Deze grenzen kunnen overigens, zoals ook in het citaat van Van der Ploeg naar voren komt, worden verscherpt wanneer de erflater richtlijnen en aanwijzingen meegeeft.3
Aan de door de minister gesproken woorden dat het erflater niet is toegestaan zijn beschikking afhankelijk te stellen van de willekeur van een ander, wil ik dan ook een positieve draai geven:
Het is de erflater in beginsel toegestaan zijn beschikking afhankelijk te stellen van andermans redelijk oordeel.4
Wilsdelegatie ten aanzien van de werking van een uiterste wilsbeschikking is dus niet verboden op grond van het ‘willekeurcriterium’. De delegatiebevoegdheid moet evenwel steeds naar behoren worden uitgevoerd.