Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.8.1
7.8.1 Rechtsvorm van het administratiekantoor
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232814:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Als de overdracht niet die strekking zou hebben, levert zij geen geldige titel op, gezien artikel 3:84 lid 3 BW (zie paragraaf 7.6).
In het (verre) verleden kwam het overigens wel voor: de Grootboekwet van 1809 ging duidelijk uit van deze mogelijkheid en ook Land refereert hieraan en noemt een voorbeeld: de Engelsman Rothschild gaf in 1831 certificaten uit van Grootboekinschrijvingen (zie Land, WPNR 1908/2012, pagina 366).
Zie Eisma, preadvies 1990, pagina 78. Verenigingen als administratiekantoor komen overigens sporadisch voor, zie rechtbank Den Haag 19 februari 1982, ECLI:NL:RBSGR:1982:AC7537, NJ 1983/522.
Zie ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/568, alsmede T.F.H. Reijnen, Het uitkeringsverbod bij de stichting, een nog niet beëindigde discussie, WPNR 2013/6989, pagina 794.
Het administratiekantoor is niet aan een bepaalde rechtsvorm gebonden en ook een natuurlijke persoon zou als administratiekantoor kunnen fungeren. Aangezien de gecertificeerde goederen volledig in het vermogen van het administratiekantoor vallen,1 zijn zij ook volledig vatbaar voor verhaal door de eigen crediteuren van het administratiekantoor. Overdracht van goederen ten titel van beheer kan derhalve behoorlijke risico’s met zich brengen, die bij een natuurlijke persoon als administratiekantoor niet te beperken zijn.2 Een rechtspersoon heeft om die reden sterk de voorkeur, aangezien deze een beperkte doelomschrijving kan krijgen. Dat beperkt uiteraard niet de theoretische risico’s van verhaal, maar zou in principe wel moeten voorkomen dat het administratiekantoor crediteuren heeft die geen connectie hebben met de certificering, zodat er niet zodanige “andere” crediteuren zijn die zich op het gecertificeerde vermogen zouden kunnen willen verhalen.
In het verleden zijn vaak naamloze vennootschappen gebruikt als administratiekantoor; tegenwoordig is het echter gebruikelijk om hiervoor een stichting te nemen.3 Een stichting heeft ook een duidelijk voordeel boven een besloten of naamloze vennootschap of een vereniging: bij een stichting ontbreekt een algemene vergadering van aandeelhouders of algemene ledenvergadering, die invloed zou kunnen uitoefenen op het beheer van het gecertificeerde vermogen, zodat het bestuur een relatief grote bewegingsvrijheid heeft. Desgewenst kan deze bewegingsvrijheid natuurlijk ingeperkt worden door bevoegdheden toe te kennen aan een vergadering van certificaathouders of een (ander) toezichthoudend orgaan. De wijze waarop een stichting georganiseerd is, biedt hiervoor in elk geval meer vrijheid.
Het uitkeringsverbod bij stichtingen van artikel 2:285 lid 3 BW staat niet in de weg aan het fungeren van de stichting als administratiekantoor: de stichting is op grond van de door haar gesloten beheersovereenkomst verplicht tot het doen van betalingen aan de certificaathouders. Deze vormen derhalve geen uitkeringen in de zin van het uitkeringsverbod.4