Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/3.5.2
3.5.2 Onrechtmatige informatie wegens een schending van een waarheidsplicht
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685417:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik sluit daarmee aan bij het door Jansen 2012, par. 1.5.1 gehanteerde gebruik van die term. Zie par. 1.6.
Zie uitgebreid de dissertatie (Leiden) van Jansen 2012 over informatieplichten.
Jansen 2012, p. 1.
Jansen 2013a, onder 2.3. Hij herformuleert het precontractuele verbod van onjuiste informatieverstrekking uit het dwalingsleerstuk van art. 6:228 lid 1 onder a BW in positieve termen als waarheidsplicht. Deze waarheidsplicht ligt ten dele in het verlengde van de mededelingsplicht van art. 6:228 lid 1 onder b BW. Ook voor buitencontractuele aansprakelijkheid wegens onjuiste informatieverstrekking kan zo’n waarheidsplicht worden aangenomen, Jansen 2013a, onder 4.1.
Jansen 2012, p. 30-31. De waarheidsplicht bevat voor de buitencontractuele aansprakelijkheid zowel de verplichtingen van het dwalingsleerstuk zoals vastgelegd in art. 6:228 lid 1 onder a (het verschaffen van juiste inlichtingen) als art. 6:228 lid 1 onder b (het verschaffen van volledige informatie, de mededelingsplicht).
Zie nader par. 3.5.
Jansen 2012, p. 389-390.
Zie bijv. Rb. Limburg 9 februari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1090, rov. 4.3.
Par. 4.4.
Jansen 2012, p. 367. Hij wijst erop dat dit vereiste vooral naar voren komt op het terrein van gevaarzetting. Dit vereiste is daarom minder van toepassing in geval van overheidsaansprakelijkheid wegens onjuiste informatieverstrekking, nu de daaruit volgende schade niet ziet op letselschade, zie par. 9.5.1.
Zie hoofdstuk 9.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/67. Sieburgh meent dat het vereiste van kenbaarheid de buitencontractuele aansprakelijkheid te zeer kan beperken. Zij stelt met betrekking tot de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad dat het aannemelijker is dat het risico van het verstrekken van naar men weet of behoort te weten onjuiste informatie in die gevallen waarin het voor de informatieverstrekker niet duidelijk was dat de informatie relevant was (alsnog) op de informatieverstrekker rust.
Om de vraag of onjuiste informatie als onrechtmatige informatie moet worden aangemerkt gestructureerd te beantwoorden, zoek ik ter invulling van het hierboven geschetste kader uit Van Zoggel aansluiting bij het leerstuk van informatieplichten.
Informatieplichten zijn plichten tot vergaring of verstrekking van informatie1 en zij fungeren in het verbintenissenrecht als verbindende schakel tussen kennis en verantwoordelijkheid.2 In de in deze paragraaf en hoofdstuk 9 centraal staande vorm van onrechtmatig overheidshandelen gaat het er om dat een burger door een tekort aan informatie van de overheid in een ongunstige positie is beland. Hij is ‘op het verkeerde been gezet’. Dan rijst de vraag wie onder de gegeven omstandigheden voor de beschikbaarheid van de betreffende informatie zorg had moeten dragen. Jansen schrijft dat de toepasselijke gedragsnorm op die manier ‘wordt vertaald in een op de concrete rechtsverhouding toegespitste informatieplicht’.3
Normeringen in het privaatrecht gaan uit van gelijkwaardige partijen en vrijheid van handelen (‘ja, tenzij’ in plaats van ‘nee, tenzij’ in het bestuursrecht). In het privaatrecht staat zelfredzaamheid voorop. Van deelnemers aan het maatschappelijk verkeer kan worden verwacht dat zij zichzelf en anderen tot op zekere hoogte tegen de risico’s van de maatschappij in bescherming nemen. Ook met die zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid op de voorgrond, kan in een concreet geval op de overheid een informatieplicht in de vorm van een zogenoemde waarheidsplicht (een verplichting om juiste en volledige informatie te verstrekken) rusten die de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm nader invult.
Vertrekkend vanuit het leerstuk van informatieplichten van het dwalingsleerstuk (artikel 6:228 BW), laat Jansen zien dat deze plichten eveneens kunnen leiden tot buitencontractuele aansprakelijkheid.
Aan de hand van het afwegingskader dat Jansen heeft ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van een waarheidsplicht in een concreet geval, kan worden beoordeeld of ‘een burger er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven’ in de zin van het Van Zoggel-arrest, waarop hij zijn handelen vervolgens mocht afstemmen.
Het gaat dan om de spanning tussen de kennis van de overheid enerzijds en de verantwoordelijkheid van de burger anderzijds om zelf onderzoek te verrichten alvorens hij naar aanleiding van ontvangen informatie handelt met mogelijk schade tot gevolg. Onjuistheid van informatie kan pas leiden tot overheidsaansprakelijkheid indien een burger in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de juistheid en volledigheid van verstrekte informatie en hij schade heeft geleden door zijn handelen op die onjuiste informatie af te stemmen. Een burger kan vertrouwen op door de overheid verstrekte inlichtingen indien op de overheid in het concrete geval een zogenoemde – door Jansen zo genoemde – buitencontractuele ‘waarheidsplicht’ rust.4 Om een dergelijke waarheidsplicht – die zowel een plicht tot het verschaffen van juiste als volledige inlichtingen behelst5 – aan te nemen als gevolg waarvan gerechtvaardigd op informatie kan worden vertrouwd, kan gebruik worden gemaakt van het door Jansen in zijn dissertatie opgestelde afwegingskader.
De term ‘waarheidsplicht’ hanteer ik als een op een overheid in een concrete situatie rustende plicht tot het verstrekken van juiste en volledige informatie, voor de schending waarvan zij schadeplichtig is. Deze term is mogelijk verwarrend, nu het niet gaat om een verbod om te liegen, maar om een gebod tot het verstrekken van juiste en volledige informatie door een concrete verplichting die op de overheid rust tot zorgvuldige informatieverstrekking. Nu ik hetzelfde bedoel als eerder Jansen,6 kies ik er voor om dezelfde terminologie te gebruiken en niet een nieuwe term te introduceren.
Het gaat om een afwegingskader tussen de waarheidsplicht van de overheid en de onderzoeksplicht van de burger bestaande uit de aard van de (i) rechtsverhoudingen; (ii) informatie; en (iii) betrokken belangen.7
Ten aanzien van de aard van de rechtsverhouding kan in algemene zin worden opgemerkt dat geen sprake is van twee gelijkwaardige partijen, nu een van hen een overheid is. De overheid moet in elk geval worden geduid als een professionele partij, waarbij bovendien sprake kan zijn van een kennismonopolie. Van een deskundige partij kan meer worden verwacht op het gebied van onderzoeksplichten.8
Ten aanzien van de aard van de informatie kan worden gewezen op het onderscheid tussen gerichte (concrete) en ongerichte (algemene) informatie, waarbij in algemene zin eerder gerechtvaardigd kan worden vertrouwd op gerichte informatie.9 Daarnaast kan de informatie zien op onderwerpen waarover een overheid bij uitstek deskundig wordt geacht te zijn, zoals over haar eigen regelgeving. Indien sprake is van informatie over een eenvoudig onderwerp, welke informatie een burger gemakkelijk kan opzoeken of controleren, zal hij – gelet op het hierboven genoemde uitgangspunt van zelfredzaamheid – minder snel op de door de overheid verstrekte inlichtingen kunnen vertrouwen. De aard van de informatie sluit ook duidelijk aan bij het hierboven genoemde kader van Van Zoggel waarin de Hoge Raad wijst op ‘de aard van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft mogen begrijpen’ en ‘de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen’.
Ten aanzien van de aard van de betrokken belangen kan worden gewezen op de voorzienbaarheid voor een overheid van de gevolgen van onjuiste informatieverstrekking in een concreet geval. Indien sprake is van een concrete vraag, kan een burger duidelijk maken wat zijn doel is met de door hem verlangde informatie. De overheid is dan snel op de hoogte van de in het geding zijnde (financiële) belangen en moet daarmee dan rekening houden. Dit sluit opnieuw aan bij hetgeen de Hoge Raad overweegt in Van Zoggel over ‘de aard van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft mogen begrijpen’.
Tot slot moet in het systeem van Jansen door de overheid worden voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Dit betekent dat de overheid op de hoogte moet zijn van de relevantie van de informatie voor de burger en heeft geweten of had behoren te weten dat zij met de verstrekking van onjuiste of onvolledige inlichtingen de belangen van anderen in gevaar zou brengen.10
Uit de rechtspraak volgt dat dit geen hard vereiste vormt om een overheid met succes aan te spreken voor onjuiste informatieverstrekking. Wel wordt het op de hoogte zijn van de belangen in algemene zin betrokken in het afwegingskader om de onrechtmatigheid van inlichtingen vast te stellen.11Dit acht ik gelet op het feit dat sprake is van een overheid die – vanuit haar dienstverlenende en informatieve functie – informatie verstrekt ook wenselijk. De overheid moet gelet op haar maatschappelijke positie in beginsel ervan uitgaan dat door haar verstrekte informatie relevant is voor de burger.12 Ook hier geldt het in paragraaf 2.4.4 benoemde rechtsstatelijke belang van informatieverstrekking door de overheid, welk belang ook maakt dat het redelijk is de gevolgen van onjuiste informatie op de overheid af te wentelen in plaats van het daardoor getroffen individu.
In hoofdstuk 9 komen bovenstaande gezichtspunten aan de orde bij het aflopen van het afwegingskader om zogenoemde op de overheid rustende waarheidsplichten aan te nemen. Het zal blijken dat een burger op die uitkomst zelf invloed kan uitoefenen door het stellen van concrete en ondubbelzinnige vragen, waardoor het voor de informatieverstrekkende overheid helder is voor welk doel inlichtingen worden gevraagd.