Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/II.4.2
II.4.2 ‘Besluitloze’ besluitvorming: de Wmo als voorbeeld
B.J. van Ettekoven en A.T. Marseille, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
B.J. van Ettekoven en A.T. Marseille
- JCDI
JCDI:ADS300729:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip melding wordt in de Wmo 2015 niet gedefinieerd, maar duidelijk is wel dat het volgens de wetgever iets anders is dan een aanvraag. Een aanvraag, zo bepaalt art. 2.3.2 lid 9, kan pas worden gedaan nadat de melding is afgehandeld. Het is de vraag of de melding onder omstandigheden niet een aanvraag is in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb, en het verslag van het onderzoek niet een besluit. Zie: M. Vermaat, ‘Maatwerk in het wetsvoorstel maatschappelijke ondersteuning 2015’, NJB 2014/1018 en A.T. Marseille, ‘Geschilbeslechting in het sociaal domein’, NTB 2015/1. De hoogste bestuursrechter, de CRvB, heeft zich nog niet uitgesproken over de vraag of een melding in de zin van de Wmo moet worden gezien als een aanvraag in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb.
Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 99-100.
Zie daarover: A.T. Marseille, Bestuurlijke organisatie en geschilbeslechting in het sociaal domein (oratie Groningen), Groningen: 2015, p. 20 e.v.
De rechtbank Amsterdam is blijkens haar uitspraak van 5 april 2016, ECLI:NL:-RBAMS:2016:1920, niet bereid deze redenering te volgen. Zie overweging 5.5.
CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1491, AB 2016/263 m.nt. Tollenaar, USZ 2016/234 m.nt. Bruggeman.
Hoe ziet de besluitvorming waarbij bestuursorganen hun meest cruciale beslissingen niet in de vorm van een besluit gieten er uit? Besluitvorming over het verstrekken van voorzieningen in het kader van de Wmo, met name die ten behoeve van huishoudelijke hulp, bieden een goed voorbeeld. We beschrijven de verschillende stappen van de besluitvorming, de wijze waarop bestuursorganen daar invulling aan geven en de reactie van de rechter.
Melding
Iemand die aanspraak maakt op een voorziening op grond van de Wmo, zoals huishoudelijke hulp, kan dit bij de gemeente melden. In reactie op de melding vindt een onderzoek plaats, veelal aangeduid als keukentafelgesprek, om vast te stellen welke hulp nodig is en wat de rol van de gemeente daarbij is. Van het onderzoek wordt een verslag gemaakt waarin de betrokkene kan lezen of de gemeente vindt dat hij huishoudelijke hulp nodig heeft.1 Is dat het geval, dan kan hij gewoon afwachten tot de hulp wordt verstrekt. Staat in het onderzoeksverslag dat er geen reden is voor het verstrekken van huishoudelijke hulp, dan is het contact tussen overheid en burger in beginsel ten einde.
Denkbaar is dat de burger het niet eens is met de uitkomst van het onderzoek en wil proberen de gemeente zo ver te krijgen hem toch huishoudelijke hulp te verstrekken. Hij moet dan een aanvraag indienen om huishoudelijke hulp. De kans dat die wordt gehonoreerd is niet groot, vanwege de negatieve uitkomst van het onderzoek, maar de aanvraag levert in ieder geval een besluit op waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.
Uit een oogpunt van rechtsbescherming is een zwak punt dat het bestuursorgaan niet verplicht is in het verslag naar aanleiding van het onderzoek te vermelden wat iemand kan ondernemen die het niet eens is met de conclusie van het onderzoek. De memorie van toelichting bij de Wmo merkt daarover het volgende op:
‘De onderzoeksfase die voorafgaat aan de behandeling van een verzoek om maatschappelijke ondersteuning, is van essentieel belang om de cliënt vanaf het moment van melding te informeren over de (on)mogelijkheden zonder direct het formele traject van een aanvraag in te gaan. Op deze manier wordt het aantal aanvragen om een maatwerkvoorziening beperkt tot die cliënten die na de onderzoeksfase van mening zijn dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om te voorzien in een adequate maatschappelijke ondersteuning. (…) Tijdens het onderzoek zal de cliënt uiteraard over de (geldende) procedure en deze mogelijkheid goed moeten worden ingelicht.’2
In de memorie van toelichting komt tot uitdrukking dat iemand die aanspraak maakt op een voorziening moet worden voorgelicht over de wijze waarop hij na een negatief onderzoeksverslag kan proberen toch nog zijn aanspraak gehonoreerd te krijgen. Die notie heeft zich niet vertaald in een in de Wmo neergelegde verplichting aan het gemeentebestuur. Dat is niet gehouden de betrokkene er op te wijzen wat hij kan ondernemen als de uitkomst van het onderzoek naar aanleiding van zijn melding negatief is. Hij is daarmee afhankelijk van wat er in het keukentafelgesprek door de vertegenwoordiger van de gemeente wel of niet wordt gezegd.
Een advocaat die veel Wmo-zaken doet: ‘Bij een keukentafelgesprek wordt dan aan de burger verteld: “In onze gemeente is besloten dat zaken als de was doen, ramen lappen en het verzorgen van kinderen met een handicap niet binnen de Wmo of de Jeugdwet valt. Ja”, wordt dan gezegd, “in andere gemeenten misschien wel, maar bij ons niet. Daarom heeft het geen zin om te proberen die voorziening te krijgen.”’
De consequentie is dat veel burgers voor wie de uitkomst van het onderzoek naar aanleiding van hun melding negatief is, daartegen niets ondernemen, hetzij omdat ze niet weten dat het kan, hetzij omdat ze denken dat het geen zin heeft.
Toekenning van de voorziening
Het onderzoek aan de keukentafel is de eerste stap in de besluitvorming over het toekennen van voorzieningen. Als uit het verslag naar aanleiding van het onderzoek blijkt dat aanspraak op een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp bestaat, neemt het gemeentebestuur een besluit waarmee de voorziening wordt verstrekt.
Welke informatie bevat het besluit? In een ‘klassiek’ toekenningsbesluit is in elk geval te lezen op hoeveel uur huishoudelijke hulp per week de betrokkene kan rekenen. De verdere invulling van de voorziening (wanneer komt de hulp? wat wordt er schoongemaakt?) wordt bepaald in overleg tussen degene die de hulp ontvangt en degene die de hulp verleent. In de terminologie van de Wmo is dat de ‘aanbieder’ waarmee het gemeentebestuur ter uitvoering van zijn Wmo-taak een contract heeft gesloten over het verstrekken van voorzieningen.
Toekenningsbesluiten die in veel gemeenten sinds het van kracht worden van de Wmo 2015 worden genomen, omschrijven het resultaat van de voorziening, zoals ‘een schoon en leefbaar huis’. In het besluit wordt niet vermeld voor hoeveel uur per week aanspraak bestaat op hulp om dat resultaat te bereiken. Dat wordt beslist door de aanbieder die de huishoudelijke hulp voor de gemeente verleent, al dan niet na overleg met de burger.
Problematisch aan deze handelwijze is dat de betrokken burger niet weet waar hij aan toe is. Wie een besluit krijgt toegezonden dat alleen het resultaat van de voorziening vermeldt, zal niet snel reden zien voor het instellen van bezwaar en beroep. Een schoon en leefbaar huis, wie is daar nu tegen? De consequenties van het besluit worden pas duidelijk als de aanbieder van de huishoudelijke hulp langskomt om afspraken te maken over de concrete invulling van het besluit. Het kan zijn dat de aanbieder en de burger het eens zijn over het aantal uren huishoudelijke hulp dat nodig is om het huis schoon te houden. Maar is dat niet het geval en wordt er minder hulp verleend dan de burger meent aanspraak op te hebben, dan is het de vraag of de burger dat geschil in bezwaar en beroep kan aankaarten. Als voorbeeld dienen de besluiten die in 2015 in de gemeente Delfzijl zijn genomen.
Inwoners van Delfzijl die in de periode voor 2015 hulp in de huishouding ontvingen, kregen in april 2015 een bief met de volgende inhoud van het gemeentebestuur.
Geachte heer (…),
U bent onlangs bezocht door de adviseur van (…) Consult. Tijdens dit bezoek is gesproken over de verlenging van de huishoudelijke ondersteuning. Wij toetsen de uitkomsten aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Uit het onderzoek is gebleken dat huishoudelijke ondersteuning uw problemen compenseert. In deze brief leest u onze beslissing.
Besluit
U komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke ondersteuning (artikel 3 van de Wmo verordening Delfzijl). Deze maatwerkvoorziening compenseert uw beperkingen in uw zelfredzaamheid of participatie.
Toelichting
Ons doel is dat u mee kunt blijven doen in de maatschappij en uw zelfredzaamheid behoudt. We vinden het belangrijk dat u zo lang mogelijk zelfstandig blijft wonen in een schoon en leefbaar huis. Daar ondersteunen we u graag bij.
Soort zorg
Taken
Met ingang van:
Tot en met:
Vorm:
Hulp bij het huishouden
Zwaar en licht
1 april 2015
31 maart 2020
Zorg in natura
In Delfzijl zijn talloze van deze brieven verstuurd. In reactie daarop kwamen geen bezwaren bij de gemeente binnen. Een maand of twee na verzending van de brieven – derhalve na het verstrijken van de bezwaartermijn – kwamen er wel bezwaren binnen. Wat meldden de bezwaarmakers? Een voorbeeld:
Op 7 april heb ik het besluit ontvangen over toekenning van huishoudelijke hulp. Hier heb ik geen bezwaar tegen en toen hoefde ik dus geen bezwaar te maken. (…) Pas op 18 mei hoorden we van de werkster dat ze voor de volgende week maar voor 1,5 uur stond ingepland in plaats van 3 uur. (…) Volgens de werkster kreeg iedereen maar 1,5 uur, zonder overleg. Na contact met de gemeente heb ik toen een bezwaarschrift ingediend.
Uit het bezwaarschrift valt op te maken dat de ontvanger niet begreep dat de hulp zou worden gehalveerd. Begrijpelijk, omdat het besluit dit ook niet vermeldt.
Niet alleen de gemeente Delfzijl maar ook veel ander gemeenten, waaronder de allergrootste van Nederland, Amsterdam, werkten op deze wijze. In Amsterdam werd iemand die het niet eens was met de concretisering van de toegekende voorziening, verwezen naar de aanbieder huishoudelijke hulp. Daar kon hij een klacht indienen. Maakte hij in plaats daarvan bezwaar, dan werd dat niet-ontvankelijk verklaard.3 De achterliggende redenering: het bezwaar richt zich niet tegen een besluit van een bestuursorgaan, maar tegen een uitvoeringshandeling van een privaatrechtelijke rechtspersoon.4
Bijstelling van de besluitvorming naar aanleiding van jurisprudentie van de bestuursrechter?
De CRvB heeft vorig jaar een streep gezet door de werkwijze van gemeenten die hun besluiten in zo vaag mogelijke termen formuleren en de invulling ervan overlaten aan de aanbieder van de huishoudelijke hulp. Besluiten waarin alleen het resultaat van de voorziening wordt vermeld, zijn in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus de CRvB.5 Het toekenningsbesluit moet inzicht verschaffen in de vraag hoe het resultaat dat in het besluit wordt genoemd, zal worden bereikt. De CRvB stelt niet als eis dat het besluit het aantal uren vermeldt dat huishoudelijke hulp wordt geboden. Duidelijk moet zijn ‘welke concrete zorg aan betrokkene moet worden geboden’. Afgaande op de uitspraak van de CRvB krijgen burgers de rechtszekerheid terug die ze waren kwijtgeraakt door de inhoudsloze besluiten die bestuursorganen hen voorschotelden. Met een besluit dat duidelijk maakt op hoe veel of weinig huishoudelijke hulp aanspraak bestaat, weet de betrokkene waar hij aan toe is en kan hij geïnformeerd beslissen of hij tegen het besluit in bezwaar en beroep wil opkomen.
De bestuurlijke werkelijkheid blijkt niet overal overeen te stemmen met wat op grond van de jurisprudentie van de CRvB mocht worden verwacht. Illustratief is een besluit van B&W van Amsterdam van 18 november 2016.
Een inwoner van Amsterdam die om huishoudelijke hulp had gevraagd, kreeg het volgende besluit toegezonden.
Geachte heer (…),
U hebt op yy-yy-yyyy hulp bij huishouden (Hbh) aangevraagd. De gemeente heeft besloten deze voorziening toe te kennen. In deze brief leest u wat dit besluit voor u betekent.
Besluit
Er is vastgesteld dat u hulp nodig hebt voor:
Beschikken over boodschappen en maaltijden.
Schoon en leefbaar huis.
Bij dit besluit is rekening gehouden met uw gezondheid en leefomstandigheden
Belangrijk
Deze beschikking is voor hulp bij het huishouden geldig vanaf: yy-yy-2016 tot en met yy-yy-2017.
(…)
Hoe gaat het nu verder?
Een medewerker van ThuiszorgInHolland neemt binnen twee weken contact met u op en gaat samen met u kijken wat u zelf kunt doen of wat u met anderen uit uw omgeving kunt regelen. Ook bekijkt u samen van welke voorzieningen in de wijk u gebruik kunt maken. Voor de dingen die u niet zelf kunt doen, krijgt u aanvullende hulp. De afspraken hierover worden vastgelegd in een afsprakenoverzicht.
(…)
Bezwaar
Bent u het niet eens met dit besluit? Dan kunt u een bezwaarschrift schrijven. Meer informatie over het sturen van een bezwaarschrift vindt u in de bijlage.
(…)
Niet eens met het afsprakenoverzicht
Als u het niet eens bent met de invulling van het afsprakenoverzicht, neem contact op met uw aanbieder. Komt u er met de aanbieder niet uit, neem dan contact op met de gemeente Amsterdam.
Als iets uit het besluit duidelijk wordt, is dat niet in het besluit zelf wordt beslist over de hulp die de burger wordt geboden, maar in het gesprek tussen burger en aanbieder dat volgt op het besluit. Afgaande op wat daarover in het besluit wordt gemeld, is dat een gesprek tussen twee gelijkwaardige partijen, met als uitkomst: overeenstemming, neergelegd in een afsprakenoverzicht. In de praktijk heeft de burger – althans, in het beste geval – wel de gelegenheid zijn wensen kenbaar te maken, maar beslist de aanbieder. Is de burger het niet eens met die beslissing, dan moet hij een klacht indienen bij de aanbieder. Is hij niet tevreden met de afhandeling van de klacht, dan kan hij daarover bij de gemeente klagen. Is hij niet tevreden met de afhandeling van de klacht door de gemeente, dan kan hij zich ten slotte tot de gemeentelijke ombudsman wenden. Leidt ook die procedure er niet toe dat hem de zorg wordt verleend waarop hij aanspraak meent te mogen maken, dan rest hem nog de gang naar de burgerlijke rechter. Al met al is er in Amsterdam nog niets veranderd sinds de CRvB in mei 2016 oordeelde dat besluiten over aanspraken op voorzieningen op grond van de Wmo voldoende duidelijkheid moeten bieden over wat de voorziening precies inhoudt. De consequentie daarvan is dat door de wijze van organisatie van de besluitvorming de gemeente haar burgers de toegang tot de bestuursrechtelijke rechtsbescherming onthoudt.
Conclusie
Kort samengevat kent de besluitvorming naar aanleiding van de hulpvraag van een burger drie stappen: het onderzoek aan de keukentafel in reactie op de melding, het besluit over de voorziening, de concrete invulling van dat besluit door de aanbieder. Met het resultaat van elk daarvan kan de burger het oneens zijn. In de visie van de Wmo-wetgever is alleen tegen de tweede beslissing bezwaar en beroep mogelijk. Dat is problematisch, in de eerste plaats omdat het verslag van het onderzoek niet vermeldt welke weg de burger kan bewandelen als hij het met de conclusie daarvan niet eens is en de procedure eindigt voordat er überhaupt een besluit is. In de tweede plaats omdat het besluit alleen het resultaat van de voorziening omschrijft en niet de inhoud ervan. Het gevolg van deze handelwijze is dat burgers zich neerleggen bij het voor hen negatieve resultaat van het onderzoek omdat ze niet weten dat ze daar iets tegen kunnen ondernemen. Tegen het besluit waarin hun aanspraak op hulp wordt neergelegd komen ze niet op omdat de aanspraak dermate vaag is omschreven (‘u heeft recht op een schoon huis’) dat het onmogelijk is het daarmee oneens te zijn. Zijn ze het niet eens met de beslissing van de aanbieder over de concrete zorg die wordt geleverd, dan belanden ze in een klachtprocedure. De mogelijkheid het concrete zorgaanbod door de bestuursrechter te laten toetsen ontbreekt.