Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.4.5.3
3.4.5.3 Verschillen tussen de Richtlijn en de Nederlandse wet
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS493835:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Onder meer artikel 7 en artikel 10.
Voor de handhaving van het consumentenrecht is enige tijd later een verordening opgesteld, te weten de Europese Verordening 2006/2004 (Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004, Publicatieblad van de Europese Unie L 364/1).
Artikel 6 lid 1 Richtlijn, dat luidt: “De Lid-Staten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
Wessels e.a. 2006, p. 11-12 – zie ook p. 181-195.
Wissink, WPNR 2018/7179, p. 71-78.
Wet van 28 oktober 1999, Stb. 199/468. Deze wijzigingen betroffen aanvulling van artikel 6:231 sub a BW, toevoeging van een tweede lid aan artikel 6:238 BW en toevoeging van een derde zin aan artikel 6:240 lid 1 BW.
Zoals eerder aan de orde gekomen, was de Nederlandse regering van mening dat dit niet nodig was, maar is zij onder druk van de Europese Commissie hier toch toe overgegaan.
Zo is Nederland in het arrest HvJ EU 10 mei 2001, C-144/99, ECLI:EU:C:2001:257, AB 2001/314, aangesproken op de discrepantie tussen artikel 4 lid 2 en artikel 5 Richtlijn en de artikelen in het BW. Het hof overweegt (r.o. 17) dat elke lidstaat de volledige toepassing van de richtlijn dient te verzekeren. Het richtlijnconform uitleggen van Nederlandse wetgeving is volgens het hof niet voldoende.
Artikel 6 lid 1 Richtlijn (r.o. 21).
Zie onder meer overweging 30 in het arrest van HvJ EG 27 juni 2000, NJ 2000/730: “Aangezien het een geval van niet-omzetting van een richtlijn betreft, moet de nationale rechter volgens vaste rechtspraak (arresten van 13 november 1990, Marleasing, C-106/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8 (NJ 1993, 163; red.); 16 december 1993, Wagner Miret, C-334/92, Jurispr. blz. I-6911 punt 20, en 14 juli 1994, Faccini Dori, C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 26) (NJ 1995, 321; red.)) bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht, ongeacht of zij van eerdere of latere datum dan de richtlijn zijn, deze zoveel mogelijk uitleggen in het licht vande bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag (thans artikel 249, derde alinea, EG) te voldoen.”
De richtlijn heeft geen rechtstreekse toepassing, maar de rechter legt de Nederlandse wetgeving wel richtlijnconform uit.
Richtlijnconforme interpretatie. Zie ook HvJ EU 5 oktober 2004, ECLI:EU:C:2004:584, NJ 2005/333, r.o. 119.
M.H. Wissink, WPNR 2018/7179.
Rb. Groningen (ktr.) 28 april 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ5299.
Zie de volgende overwegingen van de kantonrechter:“4. De kantonrechter oordeelt als volgt. De toetsing van het betreffende beding dient plaats te vinden via de open norm van artikel 6:233 sub a BW. Daarbij is de EG Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is van belang. […]5. Bij de Richtlijn 93/13/EEG is een indicatieve lijst gevoegd van mogelijk oneerlijke bedingen. Daarin is het boetebeding opgenomen onder e) waarin staat dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt, ‘bedingen, die tot doel of tot gevolg hebben om de consument, die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen’.6. In het kader van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 6:233 sub a BW vormt het feit, dat een beding is opgenomen in de bijlage bij artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 93/13/EEG, een indicatie dat er sprake is van een onredelijk bezwarend beding.”
Hijma 2016, p. 41.
Op grond van de Richtlijn Oneerlijke bedingen1 dienen de lidstaten in hun nationale wetgeving regels op te nemen die de consument beschermen tegen oneerlijke bedingen.2 Indien algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevatten, dient een consument niet aan dit beding gebonden te zijn, maar de rest van de overeenkomst blijft wel van kracht.3
Tussen de Richtlijn Oneerlijke bedingen en het BW bestaan verschillen. Wessels heeft die verschillen inzichtelijk gemaakt4 en ook Wissink benoemt deze verschillen5.
De verschillen zijn mede een gevolg van het feit dat de bepalingen inzake algemene voorwaarden in het BW dateren van 1992, terwijl de richtlijn in kwestie een jaar later verscheen. Het BW is enkele jaren later aangepast6 om beter bij deze richtlijn te passen7, maar enkele verschillen bestaan nog.8
Een opvallend verschil tussen de Richtlijn Oneerlijke bedingen en de wettelijke bepalingen in het BW betreft het feit dat artikel 6 Richtlijn vaststelt dat de lidstaten zullen vastleggen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument laatstgenoemde niet zullen ‘binden’9. Artikel 6:233 sub a BW bepaalt daarentegen dat een onredelijk bezwarend beding ‘vernietigbaar’ is. ‘Niet binden’ impliceert nietigheid, terwijl de Nederlandse wetgeving uitgaat van een actief beroep op vernietiging door de partij die meent gehouden te worden aan een onredelijk bezwarend beding. Het BW sluit daarmee niet geheel aan bij de genoemde richtlijn. De Nederlandse wet zal daarom in voorkomende gevallen conform de Richtlijn Oneerlijke bedingen moeten worden uitgelegd.10
Een ander verschil is de terminologie die gebruikt wordt voor de open norm. De richtlijn in kwestie spreekt van een ‘oneerlijk’ beding, het BW van een ‘onredelijk bezwarend’ beding. In feite is hier dus sprake van een andere open norm. Omdat een burger niet direct een beroep kan doen op de richtlijn waar het geschillen met een andere burger betreft11, is de term ‘onredelijk bezwarend’ in beginsel leidend in de conflicten die voor een Nederlandse rechter worden gebracht. Indien er echter ruimte voor interpretatie bestaat (wat bij open normen snel het geval is), zal de Nederlandse rechter de open norm wel (mede) moeten uitleggen aan de hand van wat bedoeld is met de Richtlijn Oneerlijke bedingen.12
De voornoemde richtlijn bevat als bijlage een indicatieve lijst van niet toelaatbare bedingen (ook wel de ‘blauwe lijst’ genaamd). Het feit dat het een indicatieve lijst is, lijkt te impliceren dat sprake is van minder bescherming dan de dwingende grijze en zwarte lijst.13 In nationale geschillen kan (ondanks dat de richtlijn geen directe horizontale werking heeft) een beroep worden gedaan op de lijst uit de richtlijn, omdat de rechter de Nederlandse wet richtlijnconform moet interpreteren. Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de kantonrechter Groningen van 28 april 201114. Ter beoordeling lagen voor de algemene voorwaarden behorende bij een creditcardovereenkomst, waarin een boetebeding was opgenomen. Het creditcardbedrijf voerde onder meer aan dat het boetebeding niet voorkomt in artikel 6:236 en 6:237 BW en dat de rechter het beding derhalve uitsluitend diende te toetsen aan de open norm in artikel 6:233 sub a BW. De Richtlijn Oneerlijke bedingen kon volgens het creditcardbedrijf niet rechtstreeks worden toegepast, en de rechter zou moeten volstaan met richtlijnconforme interpretatie van het BW.
De kantonrechter oordeelde dat richtlijnconforme interpretatie van de open norm in artikel 6:233 sub a BW met zich meebrengt dat, als het boetebeding op de bij de richtlijn behorende indicatieve lijst van niet toelaatbare bedingen voorkomt, dit een indicatie is dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding.15 De in de voorgaande alinea geformuleerde veronderstelling dat de ‘indicatieve’ blauwe lijst mogelijk minder bescherming biedt dan de grijze lijst, lijkt derhalve niet juist.
Hijma licht toe dat, als een beding voorkomt op de blauwe lijst, dit op zich geen conclusie rechtvaardigt, maar wel steun biedt aan het oordeel dat het beding onredelijk bezwarend is als bedoeld in artikel 6:233 lid 1 BW (zonder af te doen aan de mogelijkheid voor de rechter om te oordelen aan de hand van alle omstandigheden van het geval). Hijma duidt de blauwe lijst dan ook aan als ‘oranje lijst’, als indicatie van gevaar en benodigde verhoogde oplettendheid.16