Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.3.1
2.4.3.1 De karakterisering van de bestuurlijke boete door het EHRM in het arrest Öztürk/Duitsland uit 1984
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270268:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Michiels en Muller 2013, p. 168, 169.
EHRM 21 februari 1984, ECLI:NL:XX:1984:AC9954, NJ 1988/937 (Öztürk/Duitsland).
Hartmann en Van Russen Groen 1998, p. 74.
Art. 6 lid 1 EVRM biedt het recht op een eerlijke en openbare behandeling van een zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Lid 2 biedt het recht om voor onschuldig te worden gehouden, totdat de schuld in rechte is komen vast te staan en, wanneer vervolging is ingesteld, het recht om: a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging; c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen; d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.
Hartmann en Van Russen Groen 1998, p. 77.
EHRM 21 februari 1984, ECLI:NL:XX:1984:AC9954, NJ 1988/937 (Öztürk/Duitsland), r.o.55 en 56.
In beginsel stond vast dat een bestuurlijke boete niet genormeerd werd door de beginselen, regels en begrippen van het strafrecht. Michiels en Muller schrijven dat door zowel de wetgever als de rechter meermaals werd uitgemaakt dat, ondanks het bestraffende karakter dat een bestuurlijke boete kon hebben, regels en beginselen van nationaal strafrecht en strafvordering niet van toepassing zijn bij het opleggen van bestraffende, administratieve sancties.1
De bekende uitspraak van 21 februari 1984 in de zaak Öztürk/Duitsland deed dan ook veel stof opwaaien. Het EHRM oordeelde dat het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van het bestraffende karakter van de sanctie moest worden beschouwd als het instellen van een vervolging – een criminal charge – in de zin van art. 6 EVRM.2 De toepassing van de administratieve sanctie of bestuurlijke boete mocht volgens het EHRM niet plaatsvinden zonder dat nadere specifieke rechtswaarborgen van art. 6 EVRM in acht werden genomen. Het gebied dat op grond van het formele criterium van de sanctie-oplegger kan worden aangeduid als bestuursrecht, maar wat vanwege de eigen normering op grond van het criminal charge-begrip toch strafrechtelijk aandoet, wordt door Hartmann en Van Russen Groen het terrein van het bestuursstrafrecht genoemd.3 De uitspraak van het EHRM heeft tot gevolg gehad dat ook fiscale boetes in de vorm van een verhoging van de aanslag – als gevolg van de ruime interpretatie van het begrip criminal charge – onder de werking van art. 6 EVRM werden gebracht.
De toepassing van art. 6 EVRM zou overigens niet alleen voor bestuursrechtelijke procedures ingrijpende gevolgen hebben, maar uiteindelijk ook voor de legitimiteit van de in art. 6 EVRM verwoorde rechten.4 Zo schreef Wattel in zijn noot bij het arrest van 24 februari 1994 in het arrest Bendenoun/Frankrijk van het EHRM dat het min of meer uniform toepassen van de waarborgen van art. 6 EVRM zowel bij processen over moord en verkrachting als bij processen over een flutboete wegens te laat inleveren van een formulier, kon leiden tot ofwel veel te zware optuiging van lichte processen ofwel tot onwenselijke verwatering van de waarborgen in zwaardere zaken.5 Het EHRM overwoog in het genoemde arrest dat nationale overheden goede en te respecteren redenen kunnen hebben om minor offences door de uitvoerende macht te laten bestraffen, zonder daarvoor een volledig strafproces voor de onafhankelijke rechter te voeren.6