Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6:7.6 Van rechtswege belaste verhuur van onroerend goed
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6
7.6 Van rechtswege belaste verhuur van onroerend goed
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291488:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn is de verhuur en verpachting van onroerende goederen vrijgesteld van btw-heffing. Op grond van het tweede lid van art. 135 Btw-richtlijn is van deze vrijstelling uitgesloten:
het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen;
verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;
verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;
verhuur van safeloketten.
De reden voor deze uitsluitingen is dat deze activiteiten (gewoonlijk) geen beleggersactiviteiten, maar ondernemersactiviteiten zijn waarvoor de vrijstelling niet is bedoeld (zie paragrafen 7.3 en 7.5). In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de eerste drie imperatieve uitzonderingen op de ‘verhuurvrijstelling’. De uitzondering voor de verhuur van safeloketten blijft onbesproken, omdat deze verhuurdienst geen betrekking heeft op een zelfstandig onroerend goed waardoor deze transactie buiten de reikwijdte van dit onderzoek valt. De in art. 135 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn genoemde verhuurdiensten kunnen zowel betrekking hebben op zelfstandige onroerende goederen (een vakantiewoning of garagebox bijv.) als op onzelfstandige onroerende goederen (bijv. een hotelkamer of een parkeervak op een openbare parkeerplaats). Om die reden worden deze uitsluitingen wel behandeld. Datzelfde heeft te gelden voor de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines. Hoewel deze verhuurdiensten doorgaans geen betrekking hebben op zelfstandige onroerende goederen (bijv. een onroerende warmtepomp of cv-ketel), kan deze uitsluiting ook betrekking hebben op een zelfstandig onroerend goed (een vuilverbrandingsinstallatie bijv.).
De opbouw van deze paragraaf is als volgt. In de paragrafen 7.6.1 tot en met 7.6.3 wordt achtereenvolgens op de eerste drie in art. 135 lid 2 Btw-richtlijn genoemde diensten ingegaan. Omdat lidstaten alleen bij de van rechtswege belaste verhuur van accommodatie in het hotelbedrijf en sectoren met een soortgelijke functie beschikken over een beoordelingsruimte, zal alleen bij die uitzondering op de vrijstelling afzonderlijk aandacht worden besteed aan de Nederlandse implementatie. Bij de bespreking van de andere twee imperatieve uitzonderingen op de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed, wordt de jurisprudentie en het beleid van nationale (en met name Nederlandse) bodem slechts gebruikt ter illustratie van de unierechtelijke reikwijdte van deze uitzonderingen. Op grond van de slotzin van art. 135 lid 2 Btw-richtlijn mogen lidstaten nog andere handelingen van deze vrijstelling uitsluiten. Op die mogelijkheid wordt in paragraaf 7.6.4 ingegaan. In deze paragraaf zal tevens op hoofdlijnen een overzicht worden gegeven van de huidige toepassing van deze mogelijkheid in de verschillende lidstaten. In paragraaf 7.6.5 wordt afgesloten met een conclusie.
7.6.1 Verhuur van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie7.6.2 Verhuur van parkeerruimte voor voertuigen7.6.3 Verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines7.6.4 Andere uitzonderingen7.6.5 Conclusie