Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.2.4.2
5.2.4.2 Inroeping responstijd in relatie tot de wettelijke indieningstermijn
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649756:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 58. Zie in dit verband ook Kamerstukken II 2010/11, 32 014, nr. 12 (Nota n.a.v. het nader verslag), p. 10 en Kersten 2019, p. 146.
OK 6 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2836, JOR 2013, 272 m.nt. Josephus Jitta (Cryo-Save Group/Salveo Holding), r.o. 3.9.
Eveneens (in algemenere zin) kritisch over de uitspraak: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 58; Oostwouder & Schrooten 2018, p. 44; Overkleeft 2017a, p. 416-417; Van Hulst & Boer 2013, p. 222; De Roo 2021, p. 325-326 en Josephus Jitta en Abma in hun annotaties (respectievelijk JOR 2013/272 en Ondernemingsrecht 2013/117).
Snijders 2014, p. 565.
In gelijke zin Josephus Jitta in punt 4 van zijn noot onder OK 6 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2836, JOR 2013, 272 m.nt. Josephus Jitta (Cryo-Save Group/Salveo Holding).
Het zij overigens reeds opgemerkt dat het inroepen van de wettelijke bedenktijd uit art. 2:114b BW in geen geval op gespannen voet met art. 6 lid 3 Aandeelhoudersrichtlijn staat. De wettelijke bedenktijd wordt namelijk pas ingeroepen nadat het bestuur het agenderingsverzoek ontvangen heeft, terwijl de responstijd wordt ingeroepen op het moment dat er een voornemen tot agendering (van een strategisch onderwerp) is, zie hierover verder par. 6.3.3.1 en par. 6.3.3.2. Anders menen Groothuis 2018, p. 86 en Oostwouder & Schrooten 2018, p. 55.
Het bestuur van een vennootschap die onder het toepassingsbereik van de NCGC valt en deze ook toepast, kan onder voorwaarden een responstijd inroepen als reactie op het voornemen van een aandeelhouder om agendering te verzoeken van een onderwerp dat kan leiden tot wijziging van de strategie van de vennootschap (bpb 4.1.6 NCGC). De responstijd bedraagt een redelijke periode en is in geen geval langer dan 180 dagen, gerekend vanaf het moment waarop het bestuur op de hoogte is gesteld van het voornemen tot agendering (bpb 4.1.7 NCGC).
Om te beoordelen hoe het inroepen van de responstijd zich verhoudt tot de wettelijke indieningstermijn moet allereerst een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de NV’s en de BV’s met een notering aan een gereglementeerde markt en anderzijds de andere NV’s en BV’s die onder het toepassingsbereik van de NCGC vallen. Naar mijn mening kan het bestuur van een NV of BV met een notering aan een gereglementeerde markt in geen geval een responstijd inroepen in reactie op een voornemen tot indiening van een agenderingsverzoek ex art. 2:114a BW. De reden is dat art. 6 lid 3 Aandeelhoudersrichtlijn voorschrijft dat de lidstaten, onder verwijzing naar een bepaald aantal dagen voorafgaand aan de algemene vergadering of de oproeping, ‘één specifieke termijn’ vaststellen tot waarop aandeelhouders van deze vennootschappen het agenderingsrecht kunnen uitoefenen. Voor vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt kan, als gevolg van Europees recht, aldus per definitie niet de situatie bestaan dat voor ‘gewone’ agenderingsverzoeken een indieningstermijn van zestig dagen geldt, terwijl de indieningstermijn voor ‘strategische’ agenderingsverzoeken verlengd kan worden tot maximaal 180 dagen.1 Roept het bestuur van een NV of BV met een notering aan een gereglementeerde markt in reactie op een voornemen tot indiening van een verzoek ex art. 2:114a BW toch een responstijd in, dan hoeft deze niet gerespecteerd te worden,2 zie ook par. 5.3.1.2 hierna.
De overweging van de OK in r.o. 3.9 van Cryo-Save dat “met name [niet] valt [...] in te zien dat toepassing van best practice bepalingen II.1.9 en IV.4.4 (thans 4.1.6 en 4.1.7 NCGC, EB) van de Corporate Governance Code in strijd zou zijn met de bepalingen van Boek 2 BW omtrent het vergader- en agenderingsrecht [...].”,3 acht ik dus in elk geval onjuist voor wat betreft art. 2:114a BW bij NV’s en BV’s met een notering aan een gereglementeerde markt.4 Dat bpb 4.1.6 en 4.1.7 NCGC volgens de OK een aandeelhouder niet van zijn agenderingsrecht afhouden, maar slechts voorzien in een uitwerking van het (ook in art. 2:8 BW tot uitdrukking gebrachte) principe dat een aandeelhouder zich ten opzichte van de vennootschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te gedragen, brengt in het voorgaande geen verandering. Een nationaal corrigerend instrument zoals art. 2:8 BW mag immers geen toepassing vinden als daardoor de werking van het gemeenschapsrecht wordt gehinderd of beperkt,5 en het gemeenschapsrecht schrijft voor het agenderingsrecht bij de vennootschap met een notering aan een gereglementeerde markt één specifieke indieningstermijn voor.
Als gezegd betreft het in art. 6 lid 3 Aandeelhoudersrichtlijn geregelde enkel NV’s en BV’s met een notering aan een gereglementeerde markt. Ten aanzien van het wettelijke agenderingsrecht bij de andere NV’s en BV’s die onder het toepassingsbereik van de NCGC vallen, geldt geen Europeesrechtelijke plicht om in de nationale wetgeving één specifieke termijn vast te stellen tot waarop kapitaalverschaffers het agenderingsrecht kunnen uitoefenen. Het argument dat de besturen van deze vennootschappen geen responstijd kunnen inroepen omdat dat strijd met (de strekking van) de Aandeelhoudersrichtlijn zou opleveren, gaat hier dus niet op. Het ontbreken van de Europeesrechtelijke dimensie maakt (voorts) dat bij deze NV’s en BV’s meer ruimte is voor art. 2:8 BW als corrigerend instrument. Dit laatste brengt mijns inziens met zich dat voor de andere vennootschappen die onder het toepassingsbereik van de NCGC vallen (en deze ook toepassen), wel de mogelijkheid bestaat om in reactie op een voornemen tot indiening van een ‘strategisch’ agenderingsverzoek een beroep te doen op de responstijd van bpb 4.1.6 en bpb 4.1.7 NCGC. Of de kapitaalverschaffer die voornemens is om tot agendering over te gaan een ingeroepen responstijd ook dient te respecteren, is een tweede. Daarover gaat par. 5.3.1.2. In par. 6.3.3.1 behandel ik de vraag onder welke voorwaarden of in welke omstandigheden het bestuur kan overgaan tot het inroepen van een responstijd.
Ik merk nog op dat de responstijd niet enkel in reactie op een voornemen tot het indienen van een ‘strategisch’ agenderingsverzoek ex art. 2:114a/224a BW kan worden ingeroepen. De mogelijkheid van het inroepen van de responstijd geldt ook voor een voornemen dat strekt tot rechterlijke machtiging voor het bijeenroepen van een algemene vergadering op grond van art. 2:110 BW (of 2:220 BW) om in die vergadering een strategisch onderwerp te behandelen. In het verlengde hiervan kan de responstijd naar mijn mening ook worden ingeroepen in reactie op een voornemen tot het indienen van een verzoek tot agendering van een dergelijk onderwerp of een voornemen tot indiening van een verzoek tot bijeenroeping van een dergelijke vergadering dat gebaseerd is op een statutaire bevoegdheid (ex art. 2:109/219 BW).6 In al deze gevallen speelt het probleem met art. 6 lid 3 Aandeelhoudersrichtlijn niet. Dat artikel bepaalt slechts voor het wettelijke agenderingsrecht dat sprake moet zijn van één specifieke termijn.
Samengevat geldt dat het bestuur van een NV of BV met een notering aan een gereglementeerde markt in reactie op een voornemen tot indiening van een agenderingsverzoek ex art. 2:114a BW geen responstijd kan inroepen.7 De besturen van de andere NV’s en BV’s die onder het toepassingsbereik van de NCGC vallen en bpb. 4.1.6 en 4.1.7 NCGC toepassen, kunnen dat onder voorwaarden, waarover par. 6.3.3.1, wel. Met het besluit de responstijd in te roepen wordt de indieningstermijn nog niet daadwerkelijk verlengd. Of feitelijk sprake zal zijn van een langere indieningstermijn is afhankelijk van of de ingeroepen responstijd wordt gerespecteerd. Zie over de vraag of het respecteren van een ingeroepen responstijd een voorwaarde is voor de indiening van een agenderingsverzoek par. 5.3.1.2.