Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/2.2.7
2.2.7 De Wet op de vennootschapsbelasting 1969
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS300803:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 9 (MvA), p. 11 rk.
Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 9 (MvA), p. 1 rk.
Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 9 (MvA), p. 2 lk.
Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 9 (MvA), p. 2 lk.
Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 9 (MvA), p. 2 rk.
Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 25 (Verslag van het mondeling overleg, antwoord op vraag 1), blz. 1 rk.
Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 9 (MvA), p. 35 rk.
Kamerstukken II 1968/69, Handelingen p. 3170 rk.
Kamerstukken II 1967/68, 6000, nr. 17 (Tweede NvW), p. 10 lk.
Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 22 (Nadere MvA), p. 11 rk.
In 1960 werd een wetsontwerp op de vennootschapsbelasting ingediend dat een technische herziening beoogde van het Besluit op de vennootschapsbelasting 1942. Daarnaast werd het Besluit op een aantal punten gewijzigd en aangevuld. Ten aanzien van posten waarover twijfel zou kunnen rijzen of zij bij het bepalen van de winst in aftrek konden worden gebracht, gaven art. 8, 9 en 10 van de ontwerpwet een aantal voorschriften die in hoofdzaak overeenkwamen met art. 13 en 14 van het Besluit op de vennootschapsbelasting 1942. Zo werd in art. 9, lid 1, onderdeel b, bepaald dat aandelen in de winst, toekomende aan de gerechtigden tot schuldvorderingen welke niet aan oprichters, aandeelhouders, leden, deelnemers of deelgerechtigden als zodanig opkwamen, aftrekbaar waren. Daarbij werd aangetekend dat het te ver zou gaan alle uitdelingen van winst, welke staan tegenover een andere prestatie dan die van de inbreng van kapitaal door oprichters, aandeelhouders, leden of deelnemers als zodanig aftrekbaar te doen zijn: ‘Ook anderen dan deze kapitaalverschaffers moeten onder bepaalde omstandigheden worden beschouwd als rechtstreeks belanghebbenden bij het bedrijf van het lichaam, op grond waarvan de aan hen uitgekeerde aandelen in de winst dienen te worden beschouwd als besteding van door het lichaam behaalde winst en niet als uitgaven die de winst verminderen.’1 De vraag of aandelen in de winst aan derden of aan rechtstreeks belanghebbenden toekomen, kon slechts van geval tot geval worden beantwoord.
Toen bleek dat een aantal Kamerleden in discussie wilde over de rechtsgrond van de vennootschapsbelasting, zag minister Zijlstra geen reden hierop in te gaan, omdat algemeen werd aanvaard dat de winst van een vennootschap aan de belasting werd onderworpen.2 Bovendien wees hij erop dat ‘de onderscheidene theorieën welke in de loop der tijden ter rechtvaardiging van de vennootschapsbelasting zijn ontvouwd, verschillende aspecten van deze belasting belichten en elk op zichzelf genomen een niet afdoende grond voor deze belasting aangeven. Illustratief is dat, zoals ook de hier aan het woord zijnde leden erkennen, verschillende malen in de literatuur is geconstateerd dat een gave, algemeen aanvaarde rechtsgrond, die de vennootschapsbelasting integraal vermag te dragen, niet bestaat.’3
Wel onderschreef Zijlstra de opvatting dat uit verschillende theorieën bouwstenen konden worden verkregen, die de heffing aanvaardbaar maken. In dat kader refereerde hij aan ‘de voorkoming van ongewenste verstoringen van concurrentieverhoudingen tussen particuliere ondernemingen en n.v.’s.’4 Dit ontlokte hem de opmerking dat onder dit gezichtspunt van fiscaal evenwicht op het terrein van de belastingheffing van het inkomen een afzonderlijke heffing van winsten van n.v.’s niet blijkt te kunnen worden gemist.5 Ook het feit dat bijna alle landen een vergelijkbare winstbelasting kenden en de bijdrage van de vennootschapsbelasting aan de totale belastingopbrengst achtte hij van belang.6
De Wet op de vennootschapsbelasting werd uiteindelijk in 1969 door beide Kamers aanvaard. Gedurende de negen jaar, die sinds de indiening van het wetsontwerp waren verstreken, sneuvelde onder meer het idee een aftrek toe te staan van een primaire kapitaalbeloning. Minister Zijlstra meende namelijk dat deze aftrek de vennootschapsbelasting het karakter zou geven van een overwinstbelasting, terwijl geen goed criterium voorhanden was om te bepalen wat overwinst was. Een vrijstelling van de normale winst in de vorm van een aftrek van een primair dividend of een primaire rente zou bovendien gecompenseerd moeten worden door hogere tarieven voor de overwinst. Daarnaast zou een overmatig accent worden gelegd op de zelfstandigheid van de NV tegenover de aandeelhouders, doordat deze teveel behandeld werden als waren zij geldschieters.7 Het kamerlid Joekes deed in de Kamer nog een poging het aftrekbare primaire dividend in de wet opgenomen te krijgen, maar na kritiek op onder meer de technische uitwerking van zijn voorstel, trok hij het in.8
Ook een voorstel om achtergestelde leningen tot de kapitaalverstrekkingen te rekenen, haalde het niet. Met het oog op gevallen waarin kapitaalverstrekkers naast de als kapitaal ter beschikking gestelde gelden tevens leningen verstrekten die achtergesteld waren bij één of meer niet bevoorrechte leningen van het lichaam, stelden minister Witteveen en staatssecretaris Grapperhaus voor de achtergestelde lening gelijk te stellen aan een kapitaalverstrekking. De gelijkstelling gold ook indien de kapitaalverstrekker of de schuldeiser zich borg had gesteld voor één of meer schulden van het lichaam.9 De Kamer had echter ernstige bedenkingen tegen de wijze waarop de gelijkstelling was uitgewerkt en ook tegen de aan die gelijkstelling inherente uitbreiding van de dubbele heffing. Daarnaast bleek de bewindslieden dat zich nieuwe ontwikkelingen voltrokken in het grensgebied tussen risicomijdend en risicodragend kapitaal, waarbij beide vormen steeds vloeiender in elkaar overgingen. Om deze redenen achtten zij een nadere bezinning gewenst en trokken zij het voorstel in.10