Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/7.3.2
7.3.2 Absolute werking
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS388304:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/25 en 26. Men bedenke zich dat de absolute werking van goederenrechtelijke rechten in een aantal gevallen – zie bijvoorbeeld art. 3:90 lid 2 BW – wordt gerelativeerd en dat tevens soms aan persoonlijke rechten enige absolute werking toekomt.
Zie Meijers 1948, p. 30 en 31. De te ordenen stof is immers zo vol schakeringen en overgangsvormen dat niet ieder recht alle kenmerken kan bevatten van de groep waarin het is ondergebracht.
Meijers vermeldt het verschaffen van de heerschappij over het goed als het doel dat het goederenrechtelijke recht nastreeft. Het doel is evenwel om een recht op een bepaald goed te kunnen doen gelden. De goederenrechtelijke rechten van hypotheek en erfdienstbaarheid zijn immers niet op de feitelijke heerschappij gericht.
Meijers 1948, p. 269 en 270. Benadrukt wordt dat een goederenrechtelijk recht dus niet al deze eigenschappen behoeft te hebben. Meijers beschouwt de eigenschappen als technische hulpmiddelen.
Meijers 1948, p. 269.
Meijers 1948, p. 270.
Zie in dezelfde zin Snijders & Rank-Berenschot 2017/66.
Van een eenduidige opvatting was onder de Pandektisten evenwel geen sprake. Zie bijvoorbeeld anders Regelsberger 1859, p. 4.
Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 412.
Overigens behandelt Dernburg in dit kader ook de nemo-plusregel en wel voor de situatie waarin de bloot eigenaar de zaak vervreemdt. Het recht van de beperkt gerechtigde werkt dan ook tegen de verkrijger. Vgl. Meijers 1948, p. 269 over de absolute werking in dynamische zin. Hetzelfde heeft te gelden als de bloot eigenaar het recht nogmaals bezwaart ten behoeve van een ander.
Een van de belangrijkste aspecten waarop een goederenrechtelijk recht zich in de praktijk onderscheidt van een persoonlijk recht is de absolute werking.1 Dat wil zeggen dat een recht op een goed tegen eenieder kan worden ingeroepen. Meijers besefte dat het trekken van een scherpe grenslijn tussen goederenrechtelijke en persoonlijke rechten niet mogelijk is.2 Hij beschouwde deze onderscheiding als een doelonderscheiding en kwam tot een classificatie aan de hand van normaaltypen. Aan het doel dat het goederenrechtelijke recht nastreeft,3 beantwoordt het normaaltype dat is opgebouwd uit een negental door Meijers opgesomde eigenschappen.4 De absolute werking komt in het bijzonder naar voren in de volgende door Meijers genoemde eigenschap:
‘2. Daarnaast legt het recht op ieder ander de verplichting om zich te onthouden van daden, die op het voorwerp van het recht inwerken of die de rechthebbende in zijn genot storen. Deze verplichting is bij het normale type van een zakelijk recht absoluut zowel in statische als in dynamische zin; in statische zin is de verplichting absoluut wanneer op een gegeven ogenblik deze verplichting op een ieder rust. In dynamische zin is zij absoluut, wanneer de verplichting voor een ieder blijft bestaan, onverschillig de wijzigingen die in de persoon van de eigenaar of de bezitter van de zaak intreden.’5
Toegespitst op een beperkt gerechtigde brengt de absolute werking mee dat ook eventuele opvolgende beperkt gerechtigden zich dienen te onthouden van ‘daden die op het voorwerp van het recht inwerken of die de rechthebbende in zijn genot storen’. Opvolgende rechten komen weliswaar rechtsgeldig tot stand, maar zij kunnen de reeds gevestigde goederenrechtelijke rechten niet schaden. Deze gedachte strookt met een andere door Meijers opgesomde eigenschap van het goederenrechtelijke recht:
‘8. Indien twee zakelijke rechten niet naast elkaar kunnen bestaan, heeft het oudere voorrang boven het jongere.’6
De hierin tot uiting gebrachte prioriteitsregel – waarvan de toepassing uitdrukkelijk wordt beperkt tot gevallen waarin rechten niet naast elkaar kunnen bestaan – kan derhalve zeer wel worden verklaard aan de hand van het absolute karakter van het goederenrechtelijke recht. Een beperkt gerechtigde kan zijn recht tegenwerpen aan eenieder die na hem een goederenrechtelijk recht aan de zaak ontleent. Het maakt daarbij geen verschil of het een latere verkrijger of een opvolgende beperkt gerechtigde betreft. Zo zal de beperkt gerechtigde zijn recht jegens een opvolgende verkrijger kunnen doen gelden indien de bloot eigenaar de zaak vervreemdt. Dit betreft in de bewoordingen van Meijers de absolute werking in dynamische zin, het zogenaamde droit de suite. Daarnaast zullen eventueel opvolgend beperkt gerechtigden het recht van de oudste beperkt gerechtigde vanwege de absolute werking van diens recht evenzeer tegen zich moeten laten gelden. Indien een later gevestigd recht probleemloos in concurrentie tot een eerder tot stand gekomen recht kan worden uitgeoefend, schendt de gerechtigde tot het jongere recht geenszins zijn verplichting om zich te onthouden van daden die op het voorwerp van het recht inwerken of de eerste beperkt gerechtigde in diens genot storen. De prioriteitsregel blijft in dat geval dan ook buiten toepassing. Indien het latere recht daarentegen wel de werking van het recht van de ouder gerechtigde belemmert, brengt de prioriteitsregel mee dat het oudere voorrang heeft boven het jongere.7
De motivering van de prioriteitsregel aan de hand van de absolute werking van goederenrechtelijke rechten is ook terug te vinden bij Dernburg.8 Het feit dat een conflict tussen pandrechten aan de hand van de prioriteitsregel in het voordeel van de schuldeiser met het oudste recht wordt beslecht, behoeft volgens hem nauwelijks een toelichting:
‘Die Natur des Pfandrechts als jus in re bringt es mit sich, daß das einmal begründete Recht Jedem gegenüber, der nicht im Moment der Begründung bereits unantasbare Rechte besaß, geltend gemacht werden kann, daß es also namentlich auch einem Gläubiger gegenüber wirkt, der erst nachher dingliche Rechte erhielt.’9
Aangezien een goederenrechtelijk recht werkt tegenover eenieder – daaronder begrepen een gerechtigde tot een recht met latere datum – beheerst de prioriteitsregel ieder conflict tussen goederenrechtelijke rechten.10