Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.2.2
3.2.2 Onderscheid tussen verrijkingen door prestaties en verrijkingen met andere oorzaken
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495031:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover Zimmermann 1996, p. 843-844, Damminga 2006.
Zie daarover: Jansen 2003.
Wilburg 1934.
Wilburg 1934, p. 11.
Wilburg 1934, p. 14.
Ook in het geval van een inbreuk op enkele andere vermogensrechten kan volgens Wilburg een Eingriffskondiktion worden ingesteld. Vereist is dan dat het vermogensrecht een exclusieve rechtspositie geeft op het behalen van een voordeel. Hij geeft het voorbeeld van het commercieel uitbaten van een portret (Wilburg 1934, p. 44).
In de hedendaagse literatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende oorzaken van een ongerechtvaardigde verrijking. Dit onderscheid valt terug te voeren op de tekst van §812, die op zijn beurt weer verklaard kan worden uit de codificatiegeschiedenis van het BGB.
Vóór de invoering van het BGB in 1900 gold in Duitsland het gemene recht. De Romeinsrechtelijke terugvorderingsacties, waarvan hier in het bijzonder de zogenaamde condictiones moeten worden genoemd, gaven slechts in specifieke gevallen recht op terugbetaling of vergoeding van de waarde van een prestatie. De belangrijkste condictiones waren de condictio indebiti en de condictio causa data causa non secuta die ook wel de condictio ob rem wordt genoemd.1 Met de condictio indebiti kon een prestatie worden teruggevorderd die was verricht als gevolg van een vergissing, bijvoorbeeld omdat de betalende partij ten onrechte meende een schuld te hebben aan de ontvanger. De condictio causa data causa non secuta gaf recht op terugbetaling van een prestatie wanneer de ontvanger een verwachte tegenprestatie niet verrichtte, bijvoorbeeld wanneer hij zijn verplichtingen uit een onbenoemde overeenkomst (innominaatscontract) niet nakwam.
Doordat verschillende verrijkingsvorderingen naast elkaar bestonden, was het verrijkingsrecht versnipperd. Met name Von Savigny en later ook de juristen die in de negentiende eeuw het BGB ontwierpen, wilden in het nieuwe wetboek één vordering opnemen voor alle gevallen waarin een verrijking zou moeten worden teruggegeven.2 Dit heeft geleid tot de algemene regel dat hij die door de prestatie van een ander of op een andere wijze op diens kosten iets zonder rechtsgrond heeft verkregen dit moet teruggeven (§812). De regel zou alle gevallen van ongerechtvaardigde verrijking moeten bestrijken door het gebruik van abstract geformuleerde vereisten, zoals ‘op diens kosten’ en ‘zonder rechtsgrond’. Ook kort na de invoering van het BGB werd deze opvatting verdedigd. Volgens de auteurs was de verrijkingsvordering gebaseerd op de redelijkheid. Deze leer staat bekend als de ‘Einheitslehre’.
De Oostenrijker Wilburg heeft deze theorie fel bekritiseerd in een invloedrijk essay.3 Daarin vraagt hij zich af wat moet worden verstaan onder ‘rechtsgrond’. Allereerst beantwoordt hij deze vraag voor gevallen waarin een prestatie is verricht. ´Rechtsgrond´ definieert hij als de rechtsverhouding tussen de presterende en ontvangende partij die het behoud van de prestatie rechtvaardigt. Dat betekent dat wanneer een vermeende rechtsverhouding niet bestaat, of wanneer zij nietig of vernietigd is, de verrijking kan worden teruggevorderd, omdat dan een rechtvaardiging ontbreekt.4
Voor gevallen waarin de verrijking op een andere manier is ontstaan dan door een prestatie, kan deze definitie van het begrip rechtsgrond niet worden gebruikt. Er wordt in deze definitie immers verwezen naar de rechtsverhouding die het behoud van een prestatie rechtvaardigt, terwijl er geen prestatie is verricht. Wilburg betoogt echter dat ook een andere invulling van het begrip rechtsgrond niet bruikbaar is. Bij gevallen van verrijking met een andere oorzaak dan een prestatie ontstaat alleen een vordering tot teruggave wanneer de verrijking ongerechtvaardigd is. Daarbij gaat het er niet om dat een rechtsgrond ontbreekt die de verrijking rechtvaardigt. Met andere woorden, niet elke verrijking ‘zonder rechtsgrond’ is ongerechtvaardigd. Hij illustreert zijn betoog met een voorbeeld, waarin een weg wordt verlegd. Door de wegverlegging neemt de waarde van een perceel toe, terwijl de waarde van een ander perceel afneemt.5 De verrijking heeft plaatsgevonden zonder rechtsgrond, maar het is evident dat de verrijking niet ongerechtvaardigd is.
Volgens Wilburg moet daarom het vereiste van het ontbreken van een rechtsgrond alleen worden gesteld voor de vordering tot teruggave van Leistungen, de zogenaamde Leistungskondiktion. Hij betoogt dat in andere gevallen van verrijking uit het systeem van het privaatrecht moet blijken wanneer een verrijking ongerechtvaardigd is. Volgens hem is een beroep op de weinig concrete billijkheid niet zinvol, omdat het tot onduidelijkheden leidt en tot toewijzing van verrijkingsvorderingen in te veel gevallen. Verrijkingen die op een andere manier dan door een prestatie zijn ontstaan¸ dienen volgens Wilburg alleen te worden teruggegeven indien het vermogen van de verrijkingsschuldeiser wordt beschermd.
Wilburg geeft daarvan enkele voorbeelden, waaronder het geval dat de verrijkte een inbreuk heeft gemaakt op een absoluut recht van de verrijkingsschuldeiser. Zo kan de verrijkte een inbreuk op een auteursrecht hebben gemaakt of eigenaar zijn geworden van een nagetrokken zaak.6 In dat geval heeft de verrijkingsschuldeiser een zogenaamde Eingriffskondiktion (een bijzondere Nichtleistungskondiktion) die hem recht geeft op afdracht van het voordeel dat de verrijkingsschuldenaar heeft behaald met de inbreuk. Wilburg motiveert dit als volgt. Een absoluut recht geldt tegenover iedereen. Dat betekent dat de waarde (alsook het gebruik en genot) van het object waar het absolute recht betrekking op heeft alleen toekomt aan de rechthebbende. Als de verrijkingsschuldenaar een inbreuk maakt op dit recht, geniet hij een voordeel dat niet aan hem, maar aan de rechthebbende toekomt. Met andere woorden, de verrijkingsschuldenaar geniet een voordeel ten koste van de verrijkingsschuldeiser. Daarom ontstaat een verbintenis tot afgifte van het behaalde voordeel.