Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/3.2.3
3.2.3 Enkele opmerkingen over de geschiedenis van de onrechtmatige overheidsdaad
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685374:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat voor het aannemen van onrechtmatig overheidsoptreden bijzondere maatstaven worden gehanteerd, wordt algemeen aangenomen. Zie Asser/Sieburgh 6-IV 2019/353-356 voor de ontwikkeling van de toetsing door de civiele rechter van onrechtmatig overheidsoptreden.
Zie voor een uitgebreide literatuurbespreking van de periode 1848-1910: Di Bella 2012, par. 4.3 en Van Maanen 1996.
Overigens was lange tijd het uitgangspunt dat een burger de overheid niet aansprakelijk kon houden voor een schending van publiekrechtelijke voorschriften (HR 29 mei 1896, W. 6817 (Vrouwe Elske)). In het Ostermann-arrest uit 1924 (HR 20 november 1924, NJ 1925, p. 89) oordeelde de Hoge Raad dat ook een schending van een publiekrechtelijk voorschrift een onrechtmatige daad oplevert.
HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, NJ 1919, p. 161 (Lindenbaum/Cohen).
HR 29 juni 1928, ECLI:NL:HR:1928:221, NJ 1928, p. 1138 (Strooppot). In het Zuiderhavenarrest van HR 23 november 1939, NJ 1940/242 is nog gewezen op het onderscheid tussen waarborgnormen en instructienormen, maar dat onderscheid heeft geen belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de jurisprudentie op het gebied van de onrechtmatige overheidsdaad.
Vgl. de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die na de Tweede Wereldoorlog opkwamen. Zie bijv. Van Maanen 2006, p. 17-18. Van Maanen 2006 laat op basis van een uitgebreid jurisprudentieonderzoek zien dat het beeld dat de rechtsbescherming tegen overheidshandelen in de periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog beperkt was, onjuist is. De details van de geschiedenis van de onrechtmatige overheidsdaad vallen buiten het bereik van dit onderzoek.
Schlössels 2019b, par. 5.
Schlössels 2019b, par. 6.
HR 27 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5565, NJ 1987/727, AB 1987/273 (Amsterdam/Ikon).
Zie uitgebreid over die discussie Di Bella 2012.
PG boek 6 (Inv.), p. 597, waarin de Minister van Justitie een voorlopig antwoord geeft op de vraag of aparte bepalingen voor onrechtmatig overheidshandelen nodig zijn, welk antwoord ongewijzigd door de Tweede Kamer is aangenomen: “Het is niet gewenst in het burgerlijk wetboek bijzondere bepalingen op te nemen omtrent de aansprakelijkheid van de overheid voor de door haar organen gepleegde onrechtmatige daden. De rechtspraak ten aanzien van deze aangelegenheid verkeert in een bepaalde phase van ontwikkeling. Het is niet raadzaam de rechtspraak in die phase te bevriezen. Verdere ontwikkeling van de rechtspraak naar de zich wijzigende omstandigheden ware open te laten.” Zie ook PG boek 6 (Inv.), p. 601-603.
Latere voorstellen, zoals die van de commissie-De Monchy uit de jaren 40 van de 20e eeuw waarin een nieuwe Wet onrechtmatige daden openbare lichamen werd voorgesteld, hebben het nooit gehaald.
Van Maanen & De Lange 2005, p. 4 en zie p. 66-68 voor het vaststellen van strijd met maatschappelijke zorgvuldigheid.
Zie bijv. Hof ’s-Gravenhage 14 april 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AT3883, waarin het ging om uitlatingen van een zelfstandig bestuursorgaan, dat gelet op de naam en het optreden naar buiten door het publiek zal worden beschouwd als onafhankelijk overheidsorgaan en tevens als ‘autoriteit’. Het hof meent dat het publiek daardoor aan de uitingen meer gezag zal toekennen en daarop eerder zal vertrouwen dan op uitlatingen van een commerciële onderneming.
Dit is als eerste door de Hoge Raad onder woorden gebracht in HR 12 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AN4622, NJ 1993/113, AB 1992/559 (Bedrijfsvereniging/Boulogne) voor overheidsbesluiten (rov. 3.2). Zie hierover par. 9.4.
Polak 2012. Schlössels, Schutgens & Zijlstra 2019, p. 422-423 merken nog op dat het ‘strenge’ overheidsaansprakelijkheidsrecht niet per se eigen is aan de overheid. Zij wijzen op de lage drempels voor aansprakelijkheid in het reguliere civiele recht voor particuliere professionals als artsen en advocaten. Zie ook Asser/Sieburgh 6-IV 2019/344.
Een van de te beantwoorden vragen in dit onderzoek is in hoeverre een burger de overheid op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan stellen voor een schending van gerechtvaardigd vertrouwen.1 Lange tijd was er discussie of voor onrechtmatig handelen van de overheid de algemene vereisten zouden moeten gelden om tot aansprakelijkheid te komen.2 Wat betreft overheidsaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ziet dit onderzoek op het vaststellen van een schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.
In 1919 had de Hoge Raad het arrest Lindenbaum/Cohen gewezen, waarin werd geoordeeld dat niet alleen een schending van de wet3, maar ook een schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm een onrechtmatige handeling kan opleveren.4 Een schending van zo’n norm kon echter nog niet tot overheidsaansprakelijkheid leiden. In het uit 1928 afkomstige Strooppot-arrest, oordeelde de Hoge Raad dat de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm alleen dan kan gelden als grondslag voor aansprakelijkheid bij overheidshandelen als een overheid en particulier op gelijke voet handelen.5 De mogelijkheid om onrechtmatig overheidshandelen in algemene zin (ongeacht of de overheid op gelijke voet als een particulier handelde) aan te nemen wegens schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, erkent de civiele rechter sinds de jaren 40 van de 20e eeuw.6
Schlössels omschrijft met verwijzing naar HR 15 november 1936, NJ 1937/182 (Dienstplichtige soldaat De Boer) de doorbraak van de civielrechtelijke toetsing van bestuurlijke discretie.7 Via een geobjectiveerde redelijkheidsformule ‘ging de burgerlijke rechter zich afvragen hoeveel bewegingsruimte in het concrete geval aan het bestuur moest worden gelaten’. Schlössels beschrijft deze benadering als flexibel en maatschappelijk georiënteerd nu het oordeel ten aanzien van de redelijkheid moest worden gevonden in het algemene rechtsbewustzijn. Tegelijkertijd werd voldoende rekening gehouden met de staatsrechtelijke posities van rechter en bestuur. In paragraaf 2.3 heb ik de ontwikkeling van de toetsing van overheidshandelen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur omschreven, die de randvoorwaarden invulden van het publiekrecht waarmee de civiele rechter rekening moest houden. Schlössels constateert dat volwaardige rechtsbeginselen die in een concreet geval richting geven aan bestuurshandelen, de kracht hebben ‘om het publiekrechtelijk complement te zijn van een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm’.8 De huidige rechtspraak bevestigt dit. Sinds Amsterdam/Ikon9 toetst de civiele rechter rechtstreeks aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een schending van die beginselen levert een onrechtmatige daad op.
In de literatuur is lange tijd de wens geuit om voor de publiekrechtelijke onrechtmatige overheidsdaad een afzonderlijke regeling op te nemen.10 Met het ontwerp van het huidige Burgerlijk Wetboek is er definitief van afgezien om een aparte wettelijke bepaling te maken voor de onrechtmatige overheidsdaad.11 De wetgever wilde de ontwikkeling van dit leerstuk aan de praktijk overlaten.12 Bij een beroep op overheidsaansprakelijkheid toetst de civiele rechter dan ook aan de gewone vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Daarbij houdt hij rekening met de bijzondere positie die de overheid in het maatschappelijk verkeer bekleedt.
Gelet op de reeds benoemde speciale taken en bevoegdheden van de overheid, kan onrechtmatig handelen door de overheid soms sneller worden aangenomen dan bij handelen door een particulier.13 De speciale verantwoordelijkheid en deskundigheid van de overheid in combinatie met haar monopolie- en machtspositie14 en de afhankelijkheidspositie van de burger, leiden er namelijk dikwijls toe dat het redelijker is de schade die het gevolg is van overheidshandelen ten laste te brengen van de gemeenschap dan van het toevallig daardoor getroffen individu.15 Anderzijds is een succesvolle aansprakelijkstelling van de overheid soms lastiger dan in het algemene civiele recht. Wanneer een overheid gebruikt maakt van aan haar toekomende beoordelingsruimte, hanteert de civiele rechter een afstandelijke, marginale, toetsing. Een overheid is als gevolg van haar bijzondere positie in het rechtsverkeer kortom soms gemakkelijker en soms lastiger dan een private partij met succes aansprakelijk te stellen op grond van onrechtmatige daad.16
In de volgende paragrafen schets ik de voor dit onderzoek relevante juridische civiele kaders van vertrouwensschending. Met deze kaders wordt duidelijk dat weliswaar in het civiele recht in de kern dezelfde vragen als bij de toetsing aan het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel moeten worden beantwoord (wat is de bron van de verwachting, van wie is de uitlating afkomstig en wat zijn de gevolgen indien sprake is van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen?), maar dat die vragen in verschillende juridische kaders worden gesteld. Een vertrouwensschending kan, voor zover voor dit onderzoek relevant, op drie manieren plaatsvinden. Zij kan zijn gelegen in de niet-totstandkoming van een rechtshandeling, in de niet-nakoming van verplichtingen die uit een rechtshandeling voortvloeien en in onrechtmatig feitelijk handelen door het verzaken van een waarheidsplicht.