Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.7.4
6.7.4 Tijdspad en reacties op het Delors-rapport
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458898:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Delors-rapport, par. 43.
Delors-rapport, par. 50 tot en met 54.
Delors-rapport, par. 55.
Delors-rapport, par. 55 tot en met 57.
Delors-rapport, par. 58 tot en met 60.
Conclusies van de Europese Raad van 26 en 27 juni 1989, p. 10.
Conclusies van de Europese Raad van 26 en 27 juni 1989, p. 11.
Conclusies van de Europese Raad van 8 en 9 december 1989, p. 8. Kort voor deze top had de Duitse Bondskanselier Kohl zijn tienpuntenplan voor Duitse hereniging gepresenteerd. Dit viel slecht bij veel andere regeringsleiders, de angst voor Duitse overheersing lag nog vers in het geheugen. Kohl omschrijft deze top dan ook als de ijzigste ooit, zie: Kohl, Diekmann & Reuth 2000, p. 174. Om deze angst te bedwingen werden de Duitse hereniging en de Europese integratie vanaf dat moment als twee zijden van dezelfde medaille gezien. Door Duitsland weer één te laten worden, ging Kohl akkoord met het idee van de EMU, al dwong hij af dat er ook over een Europese politieke unie werd nagedacht. Zie hierover: Szász 1999, p. 143-144; Segers 2013, p. 244. Ter voorbereiding op de intergouvernementele conferentie over de EMU kwam de Europese Commissie in oktober 1990 met het rapport ‘One market, one money’, waarin de kosten en baten van de EMU werden geëvalueerd. Zie: https://ec.europa.eu/economy_finance/publications/publication7454_en.pdf.
Conclusies van de Europese Raad van 25 en 26 juni 1990, p. 1, p. 6 en bijlage I. Dit idee werd overigens ook al in de conclusies van de top van 28 april 1990 vermeld, zie p. 6. Toen werd bepaald dat tijdens de top in juni 1990 een definitief besluit zou vallen over een tweede intergouvernementele conferentie.
Conclusies van de Europese Raad van 27 en 28 oktober 1990, p. 6.
Conclusies van de Europese Raad van 27 en 28 oktober 1990, p. 7.
Conclusies van de Europese Raad van 27 en 28 oktober 1990, p. 8.
Het Delors-rapport stelt dat op 1 juli 1990 de eerste fase van de EMU van start zou moeten gaan.1 In deze fase dient er convergentie van economische prestaties plaats te vinden via toegenomen beleidscoördinatie, op basis van het bestaande institutionele kader, en dient de interne markt te worden voltooid.2 Voor de start van de tweede fase is de totstandkoming van een nieuw verdrag nodig.3 Tijdens deze (overgangs)fase wordt de EMU in het leven geroepen.4 De derde fase tot slot is gericht op onherroepelijk vastgestelde wisselkoersen en het toekennen van monetaire en economische bevoegdheden aan Europese instellingen.5 In de loop van deze laatste fase zullen bovendien nationale valuta’s worden vervangen door één Europese munt. Voor de aanvang van de tweede en derde fase noemt het Delors-rapport geen data, omdat volgens het rapport vooraf niet voorspeld kan worden wanneer de lidstaten hier klaar voor zijn.
Tijdens de top van 26 en 27 juni 1989 in Madrid besprak de Europese Raad het unanieme Delors-rapport. De Europese Raad bevestigde allereerst het streven naar een EMU en concludeerde vervolgens dat het Delors-rapport een goede basis vormt voor de voorzetting van de werkzaamheden.6 Drie specifieke punten werden in de conclusies van de Europese Raad benadrukt: het parallellisme tussen de economische en monetaire aspecten, het subsidiariteitsbeginsel en het idee dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de specifieke situaties tussen landen verschillen. Ook nam de Europese Raad de enige datum uit het Delors-rapport over: de eerste fase diende in te gaan op 1 juli 1990. De bevoegde instanties werden dan ook opgeroepen om maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de start van de eerste fase.7 Daarnaast werd in de conclusies opgenomen dat er, zodra de eerste fase is aangevangen, ter voorbereiding op de totstandkoming van een nieuw verdrag en om de start van de latere fasen vast te stellen, een intergouvernementele conferentie zal plaatsvinden.
Tijdens de volgende top op 8 en 9 december 1989, vlak na de val van de Berlijnse muur, besloot de Europese Raad dat deze intergouvernementele conferentie voor eind 1990 zou plaatsvinden.8 Bij de top van 25 en 26 juni 1990 in Dublin werd vervolgens besloten dat er ook een tweede intergouvernementele conferentie zou worden georganiseerd, over de totstandkoming van een politieke unie.9 Beide conferenties, over de EMU en over een politieke unie, werden geopend tijdens de top van de Europese Raad van 14 en 15 december 1990 te Rome. De conclusies van de top die daaraan vooraf ging, geven een overzicht van de resultaten van de voorbereidingen, waarin een groot deel van het Delors-rapport te herkennen is. Zo is er volgens de Europese Raad een nieuwe, onafhankelijke instelling nodig met als taak het waarborgen van de prijsstabiliteit.10 Ook zullen wisselkoersen onherroepelijk worden vastgesteld en zal er één munt komen. Daarnaast vermelden de conclusies dat voordat tot een nieuwe fase kan worden overgegaan, er meer vorderingen nodig zijn ‘op het gebied van de daadwerkelijke en monetaire convergentie, met name wat betreft de stabiliteit van de prijzen en de sanering van de overheidsfinanciën’.11 De derde fase zal binnen ‘een redelijke termijn’ plaatsvinden. Niet alle lidstaten bleken deze uitgangspunten echter te kunnen onderschrijven. Het Verenigd Koninkrijk gaf in de conclusies aan dat het niet in staat was om deze aanpak te aanvaarden, wat later ook zou blijken bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht, waar de volgende paragraaf nader op ingaat.12