De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.3.9:3.3.9 Samenvatting en conclusies
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.3.9
3.3.9 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS392039:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten tijde van de invoering van Boek 2 BW in 1976 kwamen veel stichtingen met een onderneming voor, zoals stichtingen op het gebied van maatschappelijk werk, maar ook stichtingen op het gebied van volksgezondheid, die overheidssubsidie kregen. De toenmalige Minister van Justitie achtte het echter, anders dan voor andere rechtspersonen, niet nodig om een algemene regeling te treffen voor het (optionele) toezichthoudend orgaan bij stichtingen. Volgens hem was er weinig behoefte aan een regeling omtrent “commissarissen” bij de stichting, aangezien bij stichtingen uiteenlopende vormen van intern toezicht voorkwamen. Stichtingen hanteerden bestuursmodellen met een algemeen bestuur, dat feitelijk een toezichthoudende functie had, en een directie, die het dagelijks beleid bepaalde. De Minister wenste het interne toezicht op stichtingen flexibel te houden.
Vanaf begin jaren ’80 werd zowel in de politiek als in de rechtsliteratuur gesignaleerd dat de verhouding tussen de bevoegdheden van het bestuur en de directie in sommige bestuursmodellen onduidelijk was. Door schaalvergroting en professionalisering waren grote en complexe instellingen ontstaan, zoals ziekenhuisstichtingen, waarvoor vrijwillige, niet-professionele bestuurders door gebrek aan tijd en deskundigheid niet meer de gewenste bestuurskracht konden leveren. Bij deze instellingen werd vaak een professionele directie ingesteld, waaraan – in sommige gevallen bij de statuten – eigen bestuursbevoegdheden werden toegekend. Het bestuur, dat soms “raad van beheer” werd genoemd, stond op afstand van het beleid van de directie. Aangezien er vragen rezen vragen over de bestuursverantwoordelijkheid in het raad van beheermodel, werd in de literatuur opgemerkt dat een raad van toezichtmodel met duidelijker afgebakende bevoegdheden bij grote instellingen de voorkeur verdiende.
In de jaren ’70 werd de structuurregeling ingevoerd voor grote kapitaalvennootschappen (structuurvennootschappen). Bij gelegenheid van deze introductie werd ook de taak van de raad van commissarissen van kapitaalvennootschappen in het algemeen wettelijk vastgelegd. Structuurvennootschappen werden op grond van de wet verplicht een raad van commissarissen in te stellen, die een aantal wettelijke bevoegdheden kreeg. Werknemers kregen invloed op de samenstelling van de raad van commissarissen. De toenmalige Minister van Justitie stond kort stil bij de vraag of voor grote stichtingen met een onderneming en werknemers in dienst, zoals bijvoorbeeld woningcorporaties, een vergelijkbare wettelijke regeling moest komen. Hij meende echter dat de stichting te zeer van de kapitaalvennootschap verschilt om haar, ook als zij een grote omvang had, een structuur op leggen die vergelijkbaar is met de structuurregeling. Dit zou er volgens de Minister toe kunnen leiden dat, in afwijking van hetgeen de oprichters blijkens de statuten hebben bedoeld, werknemers die geen enkele verbondenheid behoeven te hebben met het (ideële) stichtingsdoel, invloed hebben op de samenstelling van de helft van het stichtingsbestuur.
In verband met onderzoek naar het democratisch en doelmatig functioneren van gesubsidieerde instellingen ontstond in de jaren ’80 van de vorige eeuw discussie over inspraak en betrokkenheid van belanghebbenden (cliënten, werknemers, vrijwilligers) bij semipublieke instellingen die de vorm van een stichting hadden. De Regering meende – in lijn met aanbevelingen uit de literatuur – dat maatregelen in dat verband, zoals invloed op de samenstelling van het bestuur, in afzonderlijke sectorwetten geregeld moesten worden. De Regering waarschuwde nog wel dat stichtingen bij het opnemen en uitwerken van “democratiseringsvormen” in hun statuten en reglementen rekening dienen te houden met regels van dwingend recht, zoals het ledenverbod.
In navolging van het Regeringsstandpunt werden vanaf de jaren ’90 in sectorwet- en regelgeving medezeggenschapsrechten verleend aan cliëntenraden van zorginstellingen (via de Wmcz) en huurders(raden) van woningcorporaties. Bij de invoering van de Wmcz werd door de verantwoordelijk Minister aangetekend dat in het verleden te veel belang werd gehecht aan ingrijpende invloed van onder meer cliënten op de bestuurssamenstelling. Opgemerkt werd dat alle bestuurders van rechtspersonen gehouden zijn om het belang van die rechtspersoon te dienen en aan doelrealisatie mee te werken. In de Wmcz werd een beperktere invloed van de cliëntenraad opgenomen, namelijk een voordrachtsrecht ten aanzien van ten minste één bestuurslid of – indien de zorginstelling een toezichthoudend orgaan heeft – een bindend voordrachtsrecht ten aanzien van één lid van het toezichthoudend orgaan.