Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.2.4.2:5.3.2.4.2 België
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.2.4.2
5.3.2.4.2 België
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946178:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Brienen & Hoegen 2000, p. 105-110.
Deruyck 2020, p. 13-14.
De Nauw & Deruyck 2017, p. 62-63; Deruyck 2020, p. 35-36.
Brienen & Hoegen 2000, p. 133-134.
Deruyck 2020, p. 15 en 73 en Haijer & Hoving 2022, p. 193.
Haijer & Hoving 2022, p. 193.
Brienen & Hoegen 2000, p. 137-138.
Haijer & Hoving 2022, p. 193.
Haijer & Hoving 2022, p. 194.
Brienen & Hoegen 2000, p. 150.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Belgische straf(proces)recht is stevig beïnvloed door het Franse recht, mede doordat de Code d’Instruction Criminelle – hoewel op onderdelen gewijzigd – vandaag de dag nog steeds geldend recht is in België. Het Franse en Belgische systeem vertonen dan ook de nodige overeenkomsten.1 Het zogenoemde vervolgingsprerogatief maakt dat het openbaar ministerie beslist over de vervolging.2 Daarnaast kent het Belgische strafrecht zogeheten klachtmisdrijven waarbij een klacht van het slachtoffer een voorwaarde is om te kunnen komen tot strafrechtelijke vervolging van een verdachte.3 De Belgische klachtdelicten vertonen inhoudelijk een aantal overeenkomsten met de Nederlandse. Zo is laster een klachtmisdrijf, maar zijn zedendelicten dat inmiddels niet meer. Een procedurele overeenkomst is dat de Belgische openbaar aanklager na een klacht zelfstandig een afweging maakt over de wenselijkheid van de vervolging.4
De mogelijkheden die het Belgische recht biedt om vervolging af te dwingen indien de openbaar aanklager daartoe niet overgaat, verschillen tot op heden van de Nederlandse. Zo kan het slachtoffer met een akte van burgerlijke partijstelling de onderzoeksrechter verplichten een gerechtelijk vooronderzoek te starten. 5Een dergelijk onderzoek kan evenwel nog steeds leiden tot de beslissing om de verdachte buiten vervolging te stellen. Daarnaast biedt de Belgische wet het slachtoffer onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid om zelfstandig een vervolging te starten ter zake lichtere strafbare feiten.6 Deze van de Franse wetgeving afgeleide mogelijkheid om rauwelijks te dagvaarden wordt ook in België aangeduid als een citation directe.7 Volgens Haijer en Hoving kunnen dergelijke door het slachtoffer geïnitieerde vervolgingen lastig zijn voor het openbaar ministerie, omdat het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie kan worden doorkruist en de openbaar aanklager kan worden verplicht om zich bezig te houden met zaken die hij niet bewijsbaar acht. 8In 2017 verscheen dan ook een beleidsnota van de Belgische minister van Justitie waarin het voornemen werd geuit om de wet op dit punt aanzienlijk aan te passen. Zo zouden de mogelijkheden tot strafvordering via een burgerlijke partijstelling volledig moeten worden geschrapt en zou – ter vervanging daarvan – een rechtsmiddel moeten worden gecreëerd waarmee het slachtoffer zou kunnen ageren tegen een beslissing van het openbaar ministerie om niet te vervolgen.9 De Nederlandse voorziening om een negatieve vervolgingsbeslissing te laten toetsen door de rechter biedt de Belgische wet tot op heden immers niet.10 Een herziening van het Belgische strafprocesrecht in lijn met het hiervoor omschreven voornemen in de beleidsnota is nog niet gevolgd. Daarmee zou wel meer afstand worden genomen van de door het Franse recht geïnspireerde systematiek en zouden de mogelijkheden voor het slachtoffer om de vervolging te beïnvloeden meer gaan lijken op de Nederlandse.