Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.8.3
2.8.3 Materiële eisen aan de pandakte
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706316:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het zijn geen vormvereisten omdat zij niet gaan over manier waarop de wil tot het verrichten van een rechtshandeling wordt geuit, zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/274.
Hoewel de wetstekst het woord ‘titel’ gebruikt, moet daarin echter niet de titel maar de levering of vestiging worden gelezen, zie Kamerstukken II 1990/91, 21 155, nr. 7, p. 4. Vgl. HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, r.o. 5.2.2 (ING/Muller q.q.). In gelijke zin Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/230; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo 2019/117; Snijders & Rank-Berenschot 2017/316.
Zie Kamerstukken II 1988/89, 21 155, nr. 3, p. 4 (MvT) waar wordt verwezen naar Kamerstukken I 1985/86, 16 631, nr. 27b, p. 28 en 41, waarin door de minister eenzelfde standpunt wordt voorgestaan. Tijdens de parlementaire behandeling was er echter nog geen sprake van de verplichte notariële tussenkomst.
Zie Hartkamp 2017/21; Hartkamp 1979, p. 119.
In gelijke zin Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/33; Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/368; Dortmond 2013/179; Van Mierlo 2009, p. 746. Vgl. in het kader van de verpanding van toekomstige aandelen Schuijling 2016/231; De Kraker 2003, p. 107.
HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488 (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.); HR 16 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1759 (Ontvanger/Rabobank IJmuiden); HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842 (Mulder q.q./Rabobank).
HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590, r.o. 3.2 (ING/Schepel q.q.).
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/232; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/117.
Parl. Gesch. BW Inv. Boek 3, p. 1235. Zie daarover Heyman, Bartels & Tweehuysen 2019/166 met verwijzingen.
Melis/Waaijer 2019/6.6; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/297 met verwijzingen.
Vgl. (verpanding van toekomstige aandelen) Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/411; Schuijling 2016/231; Steneker 2012/61.
44. Naast formele eisen gelden er materiële eisen waaraan de pandakte moet voldoen.1 Deze eisen vloeien voort uit het tweede lid van artikel 2:86/196 BW. Om te beginnen moet de pandakte de titel van verpanding vermelden en hoe de aandeelhouder het aandeel heeft verkregen (onderdeel a) – ook wel de aankomsttitel genoemd. Is de pandgever of de pandhouder een natuurlijk persoon, dan moet de pandakte van hen bevatten: de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, woonplaats en adres (onderdeel b). Is de pandgever of de pandhouder een rechtspersoon, dan moet hun rechtsvorm, naam, woonplaats en adres worden genoemd (onderdeel c). Verder moet in de pandakte het aantal en de soort aandelen staan waarop de vestiging betrekking heeft (onderdeel d). Dit laatste strookt met de algemene bepaalbaarheidseis bij verpanding uit artikel 3:84 lid 2 jo. 3:98 BW. Op grond daarvan moet bij de vestiging van het pandrecht het pandobject met voldoende bepaaldheid zijn omschreven.2 Ten slotte vereist artikel 2:86/196 lid 2 BW de naam, woonplaats en het adres van de vennootschap waarin de aandelen worden verpand (onderdeel e).
Wat de sanctie is op het niet voldoen aan de voorschriften uit artikel 2:86/196 lid 2 BW is onzeker. Anders dan bij vormgebreken, waarbij de nietigheid van de rechtshandeling vooropstaat (art. 3:39 BW), ontbreekt een bepaling over het gevolg van de niet-naleving van de materiële eisen aan een notariële akte. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 2:86/196 BW vallen geen algemene aanwijzingen te vinden over de sanctie op gebreken en onjuistheden. Wel is er bij de behandeling van een voorontwerp van de regeling overwogen dat een fout in de personalia geen nietigheid tot gevolg zou moeten hebben.3 Dit strookt met het algemene streven van de wetgever om buiten enkele bepaalde gevallen nietigheid zo veel mogelijk te vermijden onder het huidige BW.4
Om te beginnen met de aanduiding van partijen. Daarbij geldt mijns inziens, in overeenstemming met de algemene eisen voor verpanding, dat de vestiging van het pandrecht geldig is voor zover achteraf bepaalbaar is wie partij is (geweest) bij de vestiging en op welke aandelen de vestiging betrekking heeft.5 Wat de bepaaldheid van het pandobject betreft meen ik dat het voldoende is als partijen aan de hand van de akte achteraf gezien kunnen vaststellen welke goederen het object zijn van de verpanding. Dit past mijns inziens het best bij de met aandelenverpanding vergelijkbare gevallen. Zo blijkt deze maatstaf uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de verpanding van vorderingen.6 Uit het arrest van de Hoge Raad inzake ING/Schepel q.q. blijkt dat deze maatstaf ook geldt bij de verpanding van intellectuele eigendomsrechten.7 In de literatuur wordt de maatstaf toepasselijk geacht bij de stille verpanding van roerende zaken.8 Wordt bij de verpanding van aandelen niet aan deze ondergrens voldaan, dan is deze mijns inziens ongeldig en komt er geen pandrecht tot stand. Wat betreft fouten bij de vermelding van de titel van verpanding, zou er mijns inziens een onderscheid moeten worden gemaakt tussen het geval dat er geen titel is vermeld en het geval dat er fouten in zijn geslopen. Volgens de parlementaire geschiedenis bij de levering en vestiging van een beperkt recht op een registergoed, is de sanctie op het niet vermelden mogelijk nietigheid. In het geval dat de titel onvoldoende nauwkeurig is vermeld, kunnen de niet vermelde bedingen niet worden tegengeworpen aan derden die daarvan onkundig waren.9 In de literatuur daarover groeit het aantal auteurs dat verdedigt dat op het niet of niet nauwkeurig vermelden van de titel geen nietigheidsanctie behoort te staan.10 Wat aandelenverpanding betreft, sluit ik mij daarbij aan. Fouten bij het vermelden van de titel leiden mijns inziens niet tot nietigheid van de pandakte. Dat komt door het volgende.
Bij de parlementaire geschiedenis past het mijns inziens het best om als uitgangspunt te nemen dat de voorschriften uit artikel 2:86/196 BW een aan de notaris gerichte instructie zijn.11 Op hem rust de verplichting te controleren dat deze gegevens in de pandakte staan vermeld en juist zijn (§2.4). Dit strookt met de strekking van de regeling om rechtszekerheid rondom aandelentransacties te bevorderen en fraude te bestrijden. De relevantie van de onjuistheid of onvolledigheid is daarom mijns inziens dat in uitzonderlijke gevallen een notaris tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij zijn taak onzorgvuldig heeft uitgeoefend. Of hem een terecht verwijt kan worden gemaakt, hangt daarbij af van de kwestie of hij genoeg heeft gedaan om de onjuistheid of onvolledigheid te voorkomen (§2.4). Het niet geheel vermelden van de vereiste gegevens is op zichzelf daarvoor mijns inziens onvoldoende, omdat bij de verpanding van aandelen soms niet alle gegevens kunnen worden vermeld.
Een voorbeeld van een situatie waarin niet alle gegevens kunnen worden vermeld, is de verpanding van toekomstige aandelen (§2.10.4). Op het moment van vestiging zal immers doorgaans niet bekend zijn of en hoe de aandeelhouder deze aandelen in de toekomst zal verkrijgen. Mijns inziens is notariële medewerking ondanks het niet kunnen vermelden van deze zogenoemde aankomsttitel civiel- en tuchtrechtelijk geoorloofd. Het onvermeld laten is immers niet aan een gebrek aan zijn inspanning te wijten, en zijn medewerking druist mijns inziens niet in tegen zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid in het algemeen, of zijn rol bij aandelenverpanding in het bijzonder.