Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.1
5.8.1 De voorwaarden voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648992:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder vallen schulden uit reeds voor de intrekking verrichte rechtshandelingen. Zie in duidelijke bewoordingen Kamerstukken II 1983/84, 16551, nr. 11, p. 15: “Intrekking betekent dat geen nieuwe aansprakelijkheid ontstaat zodra jegens schuldeisers een beroep op intrekking kan worden gedaan. Uit artikel 31 van de Handelsregisterwet volgt dat als regel jegens hen een beroep op de intrekking kan worden gedaan nadat in de Staatscourant is bekend gemaakt dat de verklaring tot intrekking is neergelegd. Voor schulden die voortvloeien uit voordien aangegane rechtshandelingen blijft de aansprakelijkheid doorlopen. Dit houdt ook in aansprakelijkheid voor nieuwe termijnen van duurcontracten zoals huur, sommige leveranties, arbeidsovereenkomst.”
De intrekking van een 403-verklaring is geregeld in artikel 2:404 lid 1 BW. Voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid dient een aparte procedure te worden doorlopen. Deze procedure is geregeld in artikel 2:404 lid 2 tot en met lid 6 BW. Voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid is vereist dat de 403-verklaring is ingetrokken. Er bestaat discussie over de vraag of deze beëindigingsprocedure (waar een verzetstermijn van twee maanden onderdeel van uitmaakt) reeds kan worden aangevangen voordat de 403-verklaring is ingetrokken, of dat slechts is vereist dat de 403-verklaring is ingetrokken wanneer de beëindigingsprocedure wordt afgerond.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 586.
Met ‘de rechtspersoon’ wordt de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon bedoeld. Althans ik lees de wet niet anders. Daarmee zou het zijn uitgesloten dat wanneer alleen de consoliderende rechtspersoon de groep verlaat (bijvoorbeeld door de moederentiteit te vervangen), de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid mogelijk is.
Van Zoest 2016, p. 59-60.
Na de intrekking van de 403-verklaring blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die een 403-verklaring heeft gedeponeerd voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die zijn verricht voor de intrekking van de 403-verklaring voortbestaan.1 Zoals in de vorige paragraaf is beschreven, hangt de omvang van de overblijvende aansprakelijkheid af van de aansprakelijkheid die de rechtspersoon die een 403-verklaring heeft gedeponeerd op basis van (de tekst van) de 403-verklaring op zich heeft genomen. De beëindiging van deze overblijvende aansprakelijkheid is de tweede stap op weg naar de volledige beëindiging van het 403-regime en de gevolgen daarvan.
De rechtspersoon die een 403-verklaring heeft gedeponeerd zal aansprakelijkheid voor schulden van de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon die het concern heeft verlaten, wensen te beëindigen. Voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid dient een aparte procedure te worden doorlopen volgend op de intrekking van de 403-verklaring.2 De beëindiging is geen automatisch gevolg van de intrekking van de 403-verklaring.
In artikel 2:404 lid 3 BW worden vier cumulatieve3 voorwaarden voor de opheffing van de oude aansprakelijkheid genoemd. Dit zijn de volgende voorwaarden:
de rechtspersoon4 behoort niet meer tot de groep;
een mededeling van het voornemen tot beëindiging heeft ten minste twee maanden lang ter inzage gelegen ten kantore van het handelsregister;
ten minste twee maanden zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de mededeling ter inzage ligt;
tegen het voornemen heeft de schuldeiser niet tijdig verzet gedaan of zijn verzet is ingetrokken dan wel bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak ongegrond verklaard.
Wanneer niet aan een van die voorwaarden wordt voldaan, is het gevolg dat de overblijvende aansprakelijkheid is blijven bestaan, ook al wordt de procedure van artikel 2:404 lid 3 BW tot en met artikel 2:404 lid 6 BW – in dat geval zonder effect – doorlopen.5