Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.10.3
2.10.3 Grensoverschrijdende splitsingen op basis van het primaire EU-recht
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491497:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de verkeersvrijheden in algemene zin onderdeel 5.3.4.2. In bepaalde casusposities van grensoverschrijdende splitsingen zou het vrije verkeer van kapitaal (art. 63 t/m 66 VWEU) een rol kunnen spelen. Roelofs 2014, onderdeel 4.5.6, p. 311-313, beschrijft de volgende situatie. De splitsende en verkrijgende vennootschappen die betrokken zijn bij de grensoverschrijdende splitsing binnen de EU verrichten géén vestigingshandeling, maar een of meer aandeelhouders van de splitsende vennootschap verkrijgt een niet-controlerend belang in de verkrijger(s).
De oprichting en het beheer van ondernemingen, en voornamelijk van vennootschappen, overeenkomstig de bepalingen die door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.
De oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.
De vrijheid van vestiging is ook opgenomen in art. 31 jo. art. 34 EER-Overeenkomst. Deze overeenkomst is tot stand gekomen tussen de landen van de EG (inmiddels: EU) en IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Hoewel de problematiek hierna uitsluitend vanuit het perspectief van het VWEU wordt besproken, geldt die bespreking mutatis mutandis in de verhouding tussen de EU en de EER-landen.
HvJ EG, C-411/03 (Sevic), V-N 2006/7.27.
Punt 19.
Punt 22.
Punt 23.
Punt 28.
Punt 31.
Aldus ook bijvoorbeeld Buijn & Storm 2013, onderdeel 18.2.6, p. 1229-1230, Koster 2009, onderdeel 2.4.1, p. 40, Storm, Ondernemingsrecht 2009/79, onderdeel 6, Schutte-Veenstra, MBB 2009/9.1, onderdeel 3, Roelofs, WPNR 2009/6793, onderdeel 4.1, Schutte-Veenstra, noot in Ondernemingsrecht 2006/37, Van Veen, WPNR 2006/6657, p. 184 en Roelofs 2014, onderdeel 4.5.
Punt 19.
Umwandlungsgesetz vom 28. Oktober 1994 (BGBl. I S. 3210; 1995 I S. 428).
In dezelfde zin Roelofs, WPNR 2009/6793, onderdeel 4.1 en Storm, Ondernemingsrecht 2009/79, onderdeel 6.
Zie paragraaf 123 t/m 173 UmwG.
HvJ EU, C-292/16 (A Oy), V-N 2017/60.13, punt 23. Dit is in lijn met eerdere rechtspraak. Zie HvJ EU, C-123/11 (A Oy), V-N 2013/13.16, punt 24 en HvJ EU, C-14/16 (Euro Park Service), V-N 2017/17.12, punt 28.
Zie de literatuurverwijzingen opgenomen in Roelofs 2014, onderdeel 4.3.3.2e en Schutte-Veenstra, MBB 2009/9.1, onderdeel 3.
Zie Schutte-Veenstra, MBB 2009/9.1, onderdeel 3 en Koster, Ondernemingsrecht 2007/99 voor overzichten van de standpunten in de literatuur. Deze overzichten hebben betrekking op de situatie op het tijdstip direct na het Sevic-arrest.
Gebaseerd op de punten 19, 22 en 23 van het Sevic-arrest.
Het is denkbaar dat een beperking van de vrijheid van vestiging door een lidstaat wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
Hoewel in art. 2:333b t/m art. 2:333l BW regels zijn opgenomen voor (bepaalde) grensoverschrijdende juridische fusies, biedt dat – vooral vanwege de beperking van toegelaten rechtsvormen – niet in alle gevallen uitkomst. Het oordeel in Sevic is daarom voor niet-geregelde grensoverschrijdende fusies (waarbij naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen betrokken zijn) onverminderd van belang. Zie, bijvoorbeeld, Van Veen, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:333b BW, aantekening 2.1.3 (bijgewerkt 14-12-2020).
Rb. Amsterdam, RO 2007/37, oordeelde onder verwijzing naar het Sevic-arrest dat Nederland een grensoverschrijdende juridische fusie moest toestaan tussen een naar Nederlands recht opgerichte verdwijner en een naar Duits recht opgerichte verkrijger (outbound GOF).
Afgezien van gevallen waarin de weigering wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang en de beperkende maatregel geschikt en proportioneel is.
HvJ EG, C-210/06 (Cartesio), V-N 2009/6.22. Voor uitgebreide verhandelingen over deze zaak verwijs ik naar de diverse bijdragen die zijn opgenomen in Hijink & Verbrugh 2011.
Het Nederlandse civiele recht gaat uit van de incorporatieleer. Zie onderdeel 2.10.1. Rechtspersonen die zijn opgericht naar Nederlands recht blijven voortbestaan als de werkelijke zetel naar het buitenland wordt verplaatst.
Punt 109.
Punt 110.
In een overweging ten overvloede is het Hof ingegaan op een grensoverschrijdende omzetting (punt 111). Het gaat daarbij om de zetelverplaatsing van een vennootschap naar een andere lidstaat waarbij het toepasselijke nationale recht wél verandert. Voor die gevallen geldt dat de vertrekstaat de vennootschap niet, door ontbinding en liquidatie te eisen, mag beletten zich om te zetten in een vennootschap naar nationaal recht van de lidstaat van aankomst. Dit geldt voor zover de lidstaat van ontvangst dit toestaat (punt 112). Deze lijn is bevestigd in HvJ EU, C-106/16 (Polbud), V-N 2018/26.18. In die zaak verplaatste de Poolse vennootschap Polbud haar statutaire zetel vanuit Polen naar Luxemburg, overigens zonder verplaatsing van de werkelijke leiding. Het Hof van Justitie oordeelde dat de vrijheid van vestiging in deze situatie van toepassing was (punt 44). Voorts was het Polen verboden te eisen dat Polbud moest worden geliquideerd voordat zij uit het Handelsregister kon worden geschrapt (punt 65). In HvJ EU, C-378/10 (Vale), NJ 2012/581 (punt 32) is verduidelijkt wat moet worden verstaan onder de in punt 112 van het Cartesio-arrest gebruikte zinsnede ‘voor zover de lidstaat van ontvangst dit toestaat’. De grensoverschrijdend omgezette vennootschap moet voldoen aan de voorwaarden voor oprichting die het recht van de lidstaat van ontvangst daaraan stelt. Het nationale recht van de lidstaat van ontvangst valt echter uitdrukkelijk niet buiten de werkingssfeer van de vrijheid van vestiging. Dit betekent dat een lidstaat van ontvangst, die een regeling voor nationale omzettingen heeft, in beginsel een (naar het recht van de lidstaat van vertrek toegestane) grensoverschrijdende omzetting van een vennootschap moet toestaan, mits dus wordt voldaan aan de oprichtingseisen van de lidstaat van ontvangst.
Zie Schutte-Veenstra, MBB 2009/9.1, onderdeel 3.3 en Storm, Ondernemingsrecht 2009/79, onderdeel 5 en 6. Vgl. ook Buijn & Storm 2013, onderdeel 18.2.6, p. 1230.
Zie, bijvoorbeeld, Van Veen & Bongard 2015, onderdeel 5.2.2.2, p. 185-188, Van Veen 2013, onderdeel 7.3, p. 43-45 en Roelofs, WPNR 2009/6793, onderdeel 5.
In deze zin versta ik Koster, BB 2011/47, onderdeel 5, Van Boxel 2011, onderdeel 3.4.4, p. 75 en Van Boxel & Rensen, Ondernemingsrecht 2012/82, onderdeel 3.4 en 3.5.
Ook na implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2121 is het mogelijk dat een bepaalde voorgenomen GOS niet op basis van het Nederlandse civiele recht tot stand kan worden gebracht, bijvoorbeeld omdat een betrokken rechtspersoon geen kapitaalvennootschap is. De vraag die dan opkomt, is of zo’n GOS tot stand kan worden gebracht op basis van het primaire EU-recht. Binnen de EU geldt namelijk onder meer het recht van vestiging, ook wel aangeduid met de vrijheid van vestiging.1 Dit recht, dat uiteenvalt in het primaire vestigingsrecht2 en het secundaire vestigingsrecht3, is opgenomen in art. 49 t/m 55 VWEU en is onderdeel van het vrije verkeer van personen.4 De vrijheid van vestiging is volgens art. 54, eerste alinea, VWEU van toepassing op vennootschappen die (i) in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en (ii) hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de EU hebben. Onder vennootschap wordt ex art. 54, tweede alinea, VWEU het volgende verstaan: maatschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen die geen winst beogen.
Het Hof van Justitie heeft zich tot dusver nog niet expliciet uitgelaten over de vraag naar de (on)mogelijkheid van een GOS binnen de EU op basis van de vrijheid van vestiging. Om die reden kan deze problematiek slechts – met de nodige voorzichtigheid – worden geanalyseerd aan de hand van jurisprudentie over onderwerpen die (nauw) verwant zijn aan de rechtsfiguur van de splitsing. Daarbij moet de aandacht allereerst uitgaan naar het Sevic-arrest.5 In die zaak stond een grensoverschrijdende juridische fusie (GOF) centraal tussen de naar Luxemburgs recht opgerichte en daar gevestigde verdwijnende vennootschap Security Vision Concept SA en de naar Duits recht opgerichte en in Duitsland gevestigde vennootschap Sevic Systems AG. Volgens het Luxemburgse nationale civiele recht was deze GOF mogelijk, maar naar Duits civiel recht niet. Een verzoek tot inschrijving van deze GOF in het Duitse handelsregister werd daarom door de Duitse autoriteiten geweigerd. Daartegen kwam Sevic System AG in verweer bij het Landsgericht Koblenz. Deze instantie heeft de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd:
“Moeten de artikelen 43 EG en 48 EG [nu art. 49 en art. 54 VWEU; GCvdB] aldus worden uitgelegd dat het in strijd is met de vrijheid van vestiging van vennootschappen, wanneer het een buitenlandse Europese vennootschap niet is toegestaan om haar voorgenomen fusie met een Duitse vennootschap overeenkomstig de § 16 en volgende (UmwG) in het Duitse handelsregister in te schrijven, op grond dat § 1, lid 1, punt 1, UmwG alleen betrekking heeft op een omzetting van rechtspersonen met zetel in Duitsland?"
In deze zaak ging het over de lidstaat van ontvangst (Duitsland). Vanuit Duits perspectief was sprake van een inbound GOF. Over de toepasselijkheid van de vrijheid van vestiging oordeelde het Hof van dat grensoverschrijdende fusies, evenals overige omzettingen van vennootschappen (zie daarover hierna), beantwoorden aan de behoeften aan samenwerking en reorganisatie van vennootschappen die in verschillende lidstaten zijn gevestigd.6 Dit brengt dergelijke transacties binnen de draaicirkel van de vrijheid van vestiging. Vervolgens stelde het Hof vast dat wegens nationale Duitse voorschriften geen gebruik kon worden gemaakt van de mogelijkheid van een juridische fusie als één van de bij die rechtshandeling betrokken vennootschappen in een andere lidstaat dan Duitsland was gevestigd. Het Duitse recht creëerde daarmee een ongelijke behandeling van vennootschappen naargelang het een zuiver Duitse juridische fusie of een GOF betrof. Dit zou vennootschappen ervan kunnen weerhouden om de vrijheid van vestiging uit te oefenen.7 Dat verschil in behandeling was een beperking van de vrijheid van vestiging.8 Deze beperking kon volgens het Hof mogelijk worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, zoals (i) de bescherming van de belangen van schuldeisers, minderheidsaandeelhouders en werknemers, (ii) de waarborging van de doeltreffendheid van fiscale controles en (iii) de eerlijkheid van handelstransacties.9 De beperkende maatregel dient echter wel geschikt en proportioneel te zijn en dat was hier volgens het Hof nu juist niet het geval. Duitsland sloot de inschrijving van een GOF namelijk per definitie uit, ook als de zojuist opgesomde dwingende redenen van algemeen belang in het specifieke geval geen (enkele) rol speelden. Het Hof kwam dan ook tot de slotsom dat de Duitse regeling in strijd was met de vrijheid van vestiging, zodat de hiervóór geciteerde prejudiciële vraag bevestigend werd beantwoord.10
Een interessante vraag is of het Sevic-arrest ook meer licht werpt op de (on)mogelijkheid van een grensoverschrijdende splitsing (GOS) op basis van de vrijheid van vestiging. Naar mijn overtuiging is dat het geval.11 Het Hof van Justitie heeft het immers niet alleen over een GOF, maar ook over overige omzettingen van vennootschappen.12 Dergelijke transacties beantwoorden volgens het Hof aan de behoeften aan samenwerking en reorganisatie van vennootschappen die in verschillende lidstaten zijn gevestigd. Een GOS is volgens mij een voorbeeld van de door het Hof bedoelde ‘overige omzettingen’. Ik wijs erop dat het in de Sevic-zaak handelde om het Duitse UmwG,13 wat door het Hof wordt aangeduid als Duitse wet inzake de omzetting van vennootschappen. Het is aannemelijk dat het Hof bij het gebruik van de woorden ‘overige omzettingen van vennootschappen’ doelt op de in het UmwG geregelde transacties.14 In het UmwG is en was destijds een regeling voor splitsingen opgenomen.15 Dat niet te veel nadruk moet worden gelegd op het gebruik van het begrip ‘omzettingen’ kan overigens ook worden afgeleid uit de fiscale zaak A Oy. Het Hof van Justitie oordeelde daarin dat rechtshandelingen die onder de fusierichtlijn vallen, een bijzondere wijze van uitoefening van de vrijheid van vestiging vormen.16
Het Sevic-arrest heeft tot een stroom van publicaties geleid.17 Daarin worden de rechtsoverwegingen van het Hof – in essentie – op de volgende twee verschillende manieren uitgelegd:18
Een ruime uitleg, inhoudende dat een lidstaat een GOF en een GOS niet volledig onmogelijk mag maken indien die lidstaat een puur binnenlandse (interne) juridische fusie of splitsing toestaat. Deze interpretatie19 heeft verstrekkende implicaties voor de lidstaten. Zowel een inbound als een outbound GOF of GOS zouden dan namelijk in beginsel20 kunnen worden afgedwongen met een beroep op de vrijheid van vestiging.21 Daarvoor is dan wel vereist dat de betreffende lidstaat voorziet in een regeling voor – kort gezegd – zuiver nationale juridische fusies of splitsingen.22
Een beperkte uitleg, gebaseerd op de leer van de wederzijdse erkenning. Dit houdt in dat een lidstaat van ontvangst een – vanuit zijn perspectief – inbound GOF en GOS in beginsel23 moet erkennen ingeval zo’n rechtshandeling door de lidstaat van vertrek (ook wel: lidstaat van oorsprong) mogelijk wordt gemaakt. Deze verplichte erkenning geldt alleen als de lidstaat van ontvangst de voorliggende vorm van juridische fusie of splitsing in een puur binnenlandse context toestaat. In deze interpretatie worden de overwegingen van het Hof in Sevic geplaatst binnen de kaders van het feitencomplex dat in die zaak centraal stond. Deze beperkte uitleg kan mijns inziens nader worden onderverdeeld:
De Sevic-zaak impliceert dat een lidstaat niet wegens het Europese recht kan worden verplicht een outbound GOF of GOS toe te staan.
In Sevic handelde het over een inbound GOF en voor het antwoord op de vraag of een outbound GOF of GOS kan worden afgedwongen op basis van het primaire EU-recht dient nadere jurisprudentie te worden afgewacht.
De vraag rijst of het Cartesio-arrest24 duidelijkheid heeft verschaft over de vraag welke uitleg rechtens juist is. In Cartesio was sprake van een naar Hongaars recht opgerichte en in Hongarije gevestigde CV die haar werkelijke zetel (ook wel: hoofdbestuur, feitelijke hoofdkantoor of feitelijke leiding) verplaatste naar Italië en daarbij de hoedanigheid van vennootschap naar Hongaars recht wenste te behouden. Volgens het Hongaarse nationale recht was dit onmogelijk. De vennootschap werd dan namelijk ontbonden, waarna zij opnieuw moest worden opgericht naar het recht van het aankomstland, in dit geval Italië. Daarmee gaat Hongarije uit van het werkelijke zetelstelsel en niet van het incorporatiestelsel.25 De vraag was of de Hongaarse benadering gerechtvaardigd is. Het Hof kwam als volgt tot de conclusie dat dit het geval is. In het gemeenschapsrecht is geen eenduidige definitie opgenomen van vennootschappen die aanspraak kunnen maken op het recht van vestiging op basis van één aanknopingscriterium waarmee het op een vennootschap toepasselijke nationale recht wordt bepaald. De werkelijke zettelleer en de incorporatieleer bestaan in de EU naast elkaar. De vraag of de vrijheid van vestiging van toepassing is, betreft een voorafgaande vraag en het antwoord daarop kan slechts in het toepasselijke nationale recht worden gevonden.26 Een lidstaat is gerechtigd te bepalen welke aanknopingscriteria gelden (i) voor de oprichting van een vennootschap naar het nationale recht van die lidstaat én (ii) voor handhaving van die vennootschap naar dat nationale recht. Als gevolg hiervan is een lidstaat bevoegd om een onder zijn nationale recht vallende vennootschap niet toe te staan om de hoedanigheid van vennootschap van die lidstaat te behouden, wanneer die vennootschap haar werkelijke zetel verplaatst naar een andere lidstaat.27 De benadering van Hongarije – ontbinding van de CV – was daarom toegestaan.28 Voor de onderhavige problematiek is met name relevant dat het Hof in punt 122 van Cartesio expliciet aandacht heeft besteed aan Sevic:
“De zaak waarin het arrest SEVIC Systems is gewezen betrof immers de erkenning, in de lidstaat van oprichting van een vennootschap [Duitsland; GCvdB], van een vestigingshandeling middels een grensoverschrijdende fusie door deze vennootschap in een andere lidstaat [Luxemburg; GCvdB], (…).”
Het Hof vervolgde dat de problematiek uit Sevic verschilt van de problematiek uit Cartesio. In tegenstelling tot laatstgenoemde zaak speelde in Sevic namelijk niet de voorafgaande vraag die naar nationaal recht moet worden beantwoord, te weten of sprake was van een vennootschap met de nationaliteit van de lidstaat volgens welk recht zij is opgericht. Dat station is gepasseerd: de vraag in Sevic was of in de lidstaat van ontvangst, Duitsland, sprake was van een beperking van de vrijheid van vestiging en dat is een daaropvolgende vraag. Volgens sommige auteurs heeft het Hof met het zojuist geciteerde oordeel duidelijk gemaakt dat de beperkte, zojuist onder 2a genoemde, uitleg geldt.29 Anderen menen daarentegen dat – ondanks het oordeel van het Hof van Justitie in Cartesio – de ruime uitleg juist is.30
Mijns inziens kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat de lidstaat van ontvangst, gegeven dat de vrijheid van vestiging van toepassing is, in de basis een inbound GOS moet erkennen ingeval zo’n splitsing in de lidstaat van oorsprong is toegestaan en de lidstaat van ontvangst in een nationale context de desbetreffende splitsingsvariant toestaat. Hoewel de door het Hof gegeven verduidelijking van Sevic in Cartesio zodanig kan worden geïnterpreteerd dat het niet in strijd is met de vrijheid van vestiging als lidstaten weigeren een outbound GOS toe te staan, ben ik voorzichtig dit al te stellig te concluderen. Het Hof van Justitie heeft zich nu eenmaal nog niet expliciet uitgelaten over een GOF of GOS vanuit het perspectief van de vertrekstaat. Ik houd daarom vooralsnog de beperkte uitleg, onder 2b, voor juist.31