Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.2.2.4:4.2.2.4 Arbeidsrecht
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.2.2.4
4.2.2.4 Arbeidsrecht
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931186:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/301. Zie daarover Hoofdstuk 3, par. 3.2.2.
Zie Hoofdstuk 2, par. 2.3.3.
Zie hierna, nr. 158.
Kamerstukken II 2014/15, 34108, nr. 3, p. 21 e.v. Zie over deze achtergrond voorts Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/98-99.
Kamerstukken II 2014/15, 34108, 3, p. 21 e.v. Zie over de richtlijn Hoofdstuk 2, par. 3.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
110. Hoofdelijke aansprakelijkheid bij overgang van onderneming. Op grond van art. 7:663 BW gaan de rechten van werknemers jegens hun werkgever van rechtswege over op de partij die de ‘onderneming’ van de werkgever overneemt (een ‘overgang van onderneming’), waarbij de voormalige werkgever gedurende een jaar na de overname hoofdelijk aansprakelijk is voor diens schulden van vóór de overgang. Met deze bepaling heeft de Nederlandse wetgever gebruikgemaakt van de mogelijkheid die hem door (thans) art. 3 lid 1, tweede volzin Richtlijn 2001/23/EG wordt geboden.1 Hoewel het Unierecht het nationale recht de keuze laat om al dan niet in hoofdelijke aansprakelijkheid te voorzien, brengt de keuze om dat te doen mee dat het gaat om een regel die dient ter implementatie van Unierecht, zodat art. 7:663 BW in overeenstemming met het Unierecht (‘Unierechtconform’) moet worden uitgelegd.2
Bij deze hoofdelijke aansprakelijkheid uit art. 7:663 BW valt op dat zij temporeel beperkt is tot de periode tot één jaar na de overgang, naar het zich laat aanzien om een evenwicht te bereiken tussen de bescherming van de werknemer en het daaruit voortvloeiende risico voor de voormalig werkgever.3 Dit roept onder meer vragen op ten aanzien van verhaalsvorderingen die binnen een jaar ontstaan, maar pas daarna jegens de voormalige werkgever worden ingesteld.4
111. Hoofdelijke ketenaansprakelijkheid. Art. 7:616a BW voorziet in een andere vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid voor loon, namelijk voor het geval de werkgever werkzaamheden verricht in opdracht van een opdrachtgever. De werknemer heeft in beginsel alleen jegens zijn werkgever recht op loon (art. 7:616 BW), maar om te voorkomen dat indien de werkgever die werkzaamheden uitvoert voor een of meer opdrachtgevers dat loon zelf niet betaalt, de werknemer met lege handen zou komen te staan, is naast de werkgever ook de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk jegens de werknemer (art. 7:616a BW).5 Indien ook de vordering tegen de opdrachtgever niet slaagt, kan de werknemer zich richten tot een eventuele opdrachtgever hoger in de keten (art. 7:616b BW). Ook deze bepalingen moeten Unierechtconform worden uitgelegd, omdat zij dienen ter implementatie van art. 12 Richtlijn 2014/67/EU (de Handhavingsrichtlijn).6