Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.6.3:4.6.3 Fillibeck-arrest
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.6.3
4.6.3 Fillibeck-arrest
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS297043:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Fillibeck was een aannemer die een aantal van zijn werknemers kosteloos vervoerde van hun woning tot op de verschillende bouwplaatsen waar zij werkzaam waren, in voertuigen die hem toebehoorden. Tijdens diezelfde periode belastte hij bovendien een van zijn werknemers met het vervoer, in zijn privé-voertuig, van enkele anderen van zijn werknemers van hun woning tot op hun verschillende plaatsen van tewerkstelling. De vraag was of dit aanleiding gaf tot het aannemen van btw-heffing op basis van verrichte fictieve diensten (Duitsland had art. 5, lid 6, en art. 6, lid 2, Zesde richtlijn geïmplementeerd).
Allereerst wijs ik erop dat de uitleg die het Hof van Justitie EU in het arrest geeft aan de ‘begrippen ‘eigen privédoeleinden van de belastingplichtige of privédoeleinden van zijn personeel’ en ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’ zowel van toepassing is op art. 6, lid 2, onderdeel a als op art. 6, lid 2, onderdeel b, Zesde richtlijn (thans art. 26, lid 1, letter a, en art. 26, lid 1, letter b, btw-richtlijn). Ik maak dit op uit overweging 20 die als volgt luidt:
Om te beginnen zij opgemerkt, dat de verwijzende rechter naar artikel 6, lid 2, sub a en b, verwijst zonder evenwel te bepalen, welke van deze twee bepalingen in het bij hem aanhangige geding van toepassing is. Partijen in het hoofdgeding zijn van mening, dat de keuze tussen de toepassing van de bepaling sub a of toepassing van de bepaling sub b in casu niet beslissend is. Uit deze vraag blijkt bovendien, dat de uitlegging van deze bepalingen vooral betrekking heeft op de begrippen ‘eigen privédoeleinden van de belastingplichtige of privédoeleinden van zijn personeel’ en ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’, die in beide bepalingen voorkomen. Deze bepalingen moeten bijgevolg tezamen worden onderzocht.
Het Hof van Justitie EU beslist dat art. 6, lid 2, Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het gratis vervoer van werknemers van hun woning naar hun plaats van tewerkstelling en terug, dat door de werkgever met een voertuig van de onderneming wordt verricht, in beginsel privédoeleinden van de werknemers en dus andere dan bedrijfsdoeleinden dient. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing wanneer de behoeften van de onderneming, gelet op een aantal bijzondere omstandigheden zoals de moeilijkheid om andere geschikte vervoermiddelen te gebruiken en het veranderen van de plaats van tewerkstelling, eisen dat het vervoer van de werknemers door de werkgever wordt verzorgd, aangezien deze dienst in die omstandigheden niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt verricht.
Er kunnen dus omstandigheden zijn waarin het om niet verrichten van een vervoersdienst door een belastingplichtige aan zijn personeel niet plaatsvindt voor andere dan bedrijfsdoeleinden en daarom niet tot een fictieve heffing leidt.