Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/7.5.2
7.5.2 Rechtsbescherming bij toetsingsbesluiten van de ECB
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268515:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover bijvoorbeeld N.B. Spoor en B.M.H. Fleuren, ‘De Bankenunie-rechtsbescherming bij het Single Supervisory Mechanism’, FR 2013, afl. 7/8, p. 233-237 en W.H. Bovenschen e.a.,‘Europees bankentoezicht (SSM). Juridische en praktische perspectieven’, NtER 2013, afl. 10, p. 367.
Zie par. 7.2.2.
Zie R. Barents, Europees recht, Groningen: Noordhoff 2016, p. 137-140, die onder meer wijst op het IBM-arrest (HvJ EU 11 november 1981, C-60/81, ECLI:EU:C:1981:264, IBM/EC). Het Hof bepaalde in deze zaak dat alleen beroep open staat tegen beslissingen met een bindend karakter, die rechtsgevolg hebben en het definitieve oordeel bevatten van de betreffende EU-instelling. Ook in het Nederlandse rechtssysteem worden voorbereidende handelingen in beginsel toegerekend aan het besluit, en kan hiertegen worden opgekomen tezamen met het opkomen tegen het besluit. Zie M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (Serie Recht en Praktijk, Staats- en bestuursrecht), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 179-187. De Nederlandse burgerlijk rechter acht zich echter in bepaalde gevallen toch bevoegd om kennis te nemen van een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad, ook wanneer nog bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat. Zie bijvoorbeeld de in par. 7.3 genoemde uitspraak van de Rb. Rotterdam (vzr.) van 16 maart 2015.
Conclusie van Advocaat-Generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 27 juni 2018 in zaak C-219/17.
HvJ EU 19 december 2018, C-219/17, ECLI:EU:C:2018:1023 (Berlusconi, Fininvest/Banca d’Italia), in het bijzonder r.o. 43, 44, 48, 49, en 57. De uitspraak is gedaan na afsluiting van het oorspronkelijke artikel waarop dit hoofdstuk is gebaseerd. De uitspraak is onder meer geannoteerd door Stijnen en Joosen, zie AB 2019/129, afl. 13, p. 967-978 en JOR 2019/61, afl. 3, p. 753-765.
Zie par. 7.4.2.
Zie de door het Hof gegeven uitleg van art. 263 VEU, r.o. 42-46. Vergelijk ook, in het kader van het afwikkelingskader voor banken, de beoordeling door de ECB of een bank “faalt of waarschijnlijk zal falen”. De SRB is aan deze beoordeling niet gebonden, zodat tegen deze beoordeling geen afzonderlijk beroep kan worden ingesteld (uitspraken van het Gerecht van 6 mei 2019, T 281/18, ECLI:EU:T:2019:296, r.o. 34-36 en T 283/18, ECLI:EU:T:2019:295, r.o. 34-36; tegen de uitspraken is nog hoger beroep aanhangig).
Art. 278 en 279 VWEU, art 39 Protocol nr. 3 bij het VWEU betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (St.), art. 160-164 Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie (RPH) en art. 104-110 Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (RPG)
Zie hierover B.J. Drijber & A. Van Toor, ‘Van ESA’s, SSM en SRM: rechtsbescherming in een labyrint van Europese regels voor het financiële toezicht’, Ondernemingsrecht 2015/3, afl. 1, p. 13-25, R. Barents, Europees recht, Groningen: Noordhoff 2016, hoofdstuk 21 en E.H. Pijnacker Hordijk & M.E. Geurts, ‘Het kort geding voor de communautaire rechter’, SEW 1997, afl.7, p. 254.
Art. 23 bis St., art. 133-135 RPH en art. 76bis RPG.
Art. 24 SSM-Verordening en het Besluit van de ECB van 14 april 2014 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (ECB/2014/16), PbEU L 175/47, 14 juni 2014 (hierna: ABoR-Besluit). Het ABoR-Besluit is in 2019 op enkele onderdelen aangepast, maar dit brengt geen veranderingen in het in deze paragraaf besprokene. Zie uitgebreid over het functioneren van de ABoR: C. Brescia Morra, R. Smits & A. Magliari, ‘The Administrative Board of Review of the European Central Bank: Experience After 2 Years’, Eur. Bus. Org. Law Rev. 2017, afl. 3, p. 567-589. Het artikel is ook in het Nederlands gepubliceerd, zie ‘De Administrative Board of Review van de Europees Centrale Bank: de eerste ervaringen’, FR 2018, afl. 4, p. 185-201.
Art. 24, achtste lid SSM-Verordening en art. 9 ABoR-Besluit.
Art. 3, tweede lid, ABoR-Besluit. Zie ook art. 4, vierde lid, ABoR-Besluit.
Art. 4, eerste lid ABoR-Besluit.
Art. 6 ABoR-Besluit.
Art 24, zevende lid SSM-Verordening en art. 16 ABoR-Besluit. Besluitvorming vindt plaats conform de besluitvormingsprocedure neergelegd in art. 26 van de SSM-Verordening.
Uitspraak van het Gerecht van 16 mei 2017, T-122/15, ECLI:EU:T:2017:337 (Landeskreditbank Baden-Württemberg – Förderbank/ECB), r.o. 125-127.
De uitspraak is bevestigd door het HvJ EU op 8 mei 2019, C-450/17, ECLI:EU:C:2019:372, r.o. 92. Het Hof stelde, in lijn met de conclusie van de advocaat-generaal, vast dat het advies van de ABoR, het daarop genomen ontwerpbesluit en het definitieve besluit van de ECB uitgaan van een en dezelfde instelling, namelijk de ECB. Genoemde stukken maken onderdeel uit van een en dezelfde procedure voor interne administratieve toetsing van de door de ECB genomen besluiten, en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De onafhankelijkheidseis voor leden van de ABoR volgt uit art. 24, vierde lid van de SSM-Verordening en in art. 4, vierde lid van het ABoR-Besluit. Zie ook G. ter Kuile, Het Europese Bankentoezicht. De werking van het SSM (Financieel Juridische reeks, deel 17), Zutphen: Uitgeverij Paris 2020, p. 139.
Art. 10, eerste lid ABoR-Besluit en art. 24, eerste en vierde lid en overweging 64 van de SSM-Verordening en art. 34 SSM-Kaderverordening.
Zie D.W.M. Wenders, Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging in de bestuurlijke voorprocedures (diss. Maastricht), Deventer: Wolters Kluwer 2010, p. 196-197 en 208-209 en L.M. Koenraad & K.H. Sanders, Monografieën Algemene wet bestuursrecht, Besluiten op bezwaar, Deventer: Wolters Kluwer 2006, p. 54, M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (Serie Recht en Praktijk, Staats- en bestuursrecht), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 540, Verslag evaluatie Awb I, p. 44.45 en 51 en Verslag evaluatie Awb II, p.15-16.
Vergelijk art. 22, negende lid, SSM-Verordening en art. 14 ABoR-Besluit, en art. 7:2, tweede lid en 7:3 Awb.
Voor de ABoR geldt een termijn van twee maanden (zie art. 24, zevende lid SSM-Verordening en art. 16, eerste lid, ABoR-Besluit), voor de Nederlandse beslissing op bezwaar in beginsel zes weken, welke termijn met zes weken kan worden verlengd (art. 7:10 Awb).
Art. 22, tweede lid, ABoR-Besluit bepaalt dat de procedure in beslotenheid plaatsvindt. Wel kan de uitkomst van de procedure openbaar worden gemaakt. De Nederlandse wetgever heeft het ter discretie gelaten aan het bestuursorgaan of het horen in bezwaar in het openbaar plaatsvindt, zie art. 7:5, tweede lid, Awb. In de praktijk vindt dit horen in beslotenheid plaats. Mocht de toezichthouder hierover moeten besluiten, dan zal onder meer de gevoeligheid van de materie, de privacy van betrokkenen en het feit dat mogelijk vertrouwelijke informatie ter zitting wordt besproken, er in beginsel toe leiden dat de zitting in beslotenheid plaats zal vinden.
Tegen besluiten van de ECB staat rechtsbescherming open bij het Gerecht, waarna binnen twee maanden een hogere voorziening kan worden ingesteld bij het Hof van Justitie. Anders dan in Nederland is dit hoger beroep tot uitsluitend rechtsvragen beperkt.1
Bij de start van het SSM zijn veel vragen gesteld over de wijze van rechtsbescherming bij ECB-besluiten en de bevoegdheidsverdeling tussen nationale en Europese rechterlijke instanties.2 Zo was lange tijd onduidelijk of de nationale rechter, naast of in plaats van de Europese rechter, bevoegd is om te oordelen over een door de nationale toezichthouder opgesteld ontwerpbesluit. De nationale toezichthouders stellen dergelijke ontwerpbesluiten op voor onder meer de door de ECB te verlenen vergunningen en vvgb’s.3 De vraag kan worden gesteld of een Nederlandse bank of zijn beleidsbepaler in Nederland kan of dient te procederen tegen een dergelijk door DNB opgesteld ontwerpbesluit, of dat uitsluitend de Europese rechtsgang openstaat tegen het -op basis van dit ontwerpbesluit- door de ECB genomen (afwijzende) besluit.
Uitgangspunt lijkt daarbij dat een ontwerpbesluit op zichzelf niet op rechtsgevolg is gericht en uitsluitend een intern, voorbereidend en “dienstig” karakter heeft voor het latere door de ECB te nemen besluit. De nationale toezichthouder stelt de aanvrager ook niet in kennis van het concept-besluit. Hieruit zou volgen dat in beginsel uitsluitend rechtsbescherming open staat tegen dit ECB-besluit, waarbij het Hof het mede aan dit besluit ten grondslag liggende “nationale” ontwerpbesluit bij zijn beoordeling kan betrekken. De ontwerpbesluiten worden dan “toegerekend” aan het uiteindelijke, definitieve besluit. Dit lijkt voor de hand te liggen, aangezien de ontwerpbesluiten worden opgesteld onder verantwoordelijkheid van de ECB en zijn bedoeld ter ondersteuning van de ECB bij het nemen van haar beslissing omtrent het verlenen van de vvgb, die hiertoe exclusief is bevoegd. Een dergelijke redenering zou mijns inziens ook aansluiten bij de Europese rechtspraak omtrent voorbereidende handelingen.4
De conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak Berlusconi, Fininvest/ Banca d’Italia uit juni 2018 wijst in dezelfde richting.5 Het betrof een door Fininvest ingediende aanvraag voor een vvgb, waarop Banca d’Italia als de betreffende nationale bevoegde autoriteit een ontwerpbesluit had opgesteld voor het door de ECB te nemen besluit. Banca d’Italia stelde voor om negatief op de aanvraag te beslissen omdat Berlusconi was veroordeeld voor belastingfraude, en er daarmee niet werd voldaan aan de eisen ten aanzien van reputatie van de verwerver.6 De ECB wees de aanvraag vervolgens inderdaad op deze grond af. Berlusconi en Fininvest gingen daarop in beroep bij zowel het Gerecht als bij de Italiaanse rechter, dit laatste ten aanzien van het door Banca d’Italia opgestelde ontwerpbesluit. Het Italiaanse hof (Consiglio di Stato) stelde vervolgens prejudiciële vragen aan het Hof. De Advocaat-Generaal van het Hof concludeerde dat het vvgb-proces weliswaar volgens een samengestelde procedure wordt behandeld, maar dat sprake is van een exclusieve beslissingsbevoegdheid van de ECB. De bevoegdheid voor het rechterlijke toezicht komt daarom exclusief toe aan de Europese rechter.
Inmiddels heeft het Hof uitspraak gedaan in deze kwestie.7 Het Hof overwoog, in lijn met bovenstaande redenering, dat Banca d’Italia voorbereidende handelingen had getroffen en dat alleen tegen het definitieve besluit van de ECB kon worden opgekomen, en wel uitsluitend bij de Unierechter. Deze is exclusief bevoegd om het besluit van de ECB te toetsen en om te beoordelen of dit besluit wordt aangetast door eventuele gebreken in de wettigheid van de handelingen van Banca d’Italia ter voorbereiding van dat besluit. Uit de uitspraak volgt dat tegen een afwijzend besluit van de ECB op een vvgb-aanvraag uitsluitend kan worden opgekomen bij de Europese rechter, ook wanneer de afwijzing stoelt op een door DNB opgesteld ontwerpbesluit berustend op een negatief toetsingsoordeel (concentratie van rechtsmacht).
Bij de beoordeling van vergunningaanvragen lijkt de zaak echter anders te liggen. Komt DNB bij de voorbereiding van het daarop te nemen ECB-besluit tot het oordeel dat de aanvraag niet aan de eisen (ten aanzien van geschiktheid of betrouwbaarheid) voldoet, dan is DNB zelfstandig bevoegd tot het nemen van een afwijzend besluit.8 Tegen dit besluit staat, mijns inziens, uitsluitend beroep open bij de Nederlandse bestuursrechter.
Wel lijkt mij de Europese rechter exclusief bevoegd om te oordelen over toetsingsbesluiten die de ECB neemt in het regulier toezicht op significante banken, zoals besluiten bij nieuw aan te treden beleidsbepalers en (heenzendings-)besluiten na hertoetsingen, ook wanneer deze besluiten (mede) door de nationale toezichthouder zijn voorbereid. Ook voor deze besluiten geldt immers dat de ECB exclusief bevoegd is tot het nemen van het betreffende besluit en daarbij niet gebonden is aan voorbereidende handelingen of voorstellen van de nationale autoriteiten.9 Deze voorbereidingshandelingen zullen, naar mag worden aangenomen (zie paragraaf 7.7.3), noch onder het Nederlandse noch onder het Europese recht afzonderlijk vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. De wettigheid van de bij de voorbereiding van de besluiten verleende bijstand door DNB (en de AFM) dient dan beoordeeld te worden in het kader van de toetsing van het uiteindelijke ECB-besluit.
Europese spoedprocedures
Instellen van beroep bij de Europese rechter heeft, net als in Nederland, geen schorsende werking. Wel kan bij (de President van) het Gerecht of het Hof om voorlopige maatregelen worden verzocht, waaronder opschorting van de uitvoering van het besluit.10 Hiervoor gelden echter strikte eisen.11 Daarnaast kan om een versnelde behandeling worden verzocht.12 Interessant is dat tegen uitspraken over voorlopige maatregelen hoger beroep is toegestaan bij (de President van) het Hof, een voorziening die, zoals we hiervoor hebben gezien, in het Nederlandse rechtssysteem ontbreekt. Daarbij geldt echter de beperking dat ook een hogere voorziening alleen betrekking kan hebben op rechtsvragen.
ABoR
Voorafgaand aan het instellen van beroep kunnen partijen ervoor kiezen om de zaak voor te leggen aan de ABoR.13 Het aanzoeken van de ABoR heeft geen schorsende werking. Wel kan de ABoR de ECB voorstellen om de tenuitvoerlegging van het besluit schorsen.14
De review door de ABoR is vergelijkbaar met de Nederlandse bezwaaradviescommissie (7:15 Awb). Zo bestaan de leden van de ABoR uit “externen”; zij mogen niet in dienst zijn bij de ECB of de nationale toezichthouders.15 De ABoR is echter een intern orgaan van de ECB en de leden worden door de Governing Council van de ECB benoemd.16 Ook krijgt de ABoR stevige ondersteuning van ECB-medewerkers, die onder meer juridische expertise leveren. De secretaris van de Supervisory Board van de ECB is tevens secretaris van de ABoR.17 De door de ABoR op te stellen opinie is niet bindend en hetzelfde orgaan dat over het primaire besluit heeft geoordeeld (de Governing Council van de ECB), oordeelt ook over het bezwaar.18 De ABoR kan zelf geen nieuwe besluiten nemen. In de zaak Landeskreditbank Baden-Württemberg- Förderbank/ECB heeft het Gerecht het advies van de ABoR bovendien toegerekend aan de ECB. In deze uitspraak nam het Gerecht het advies van de ABoR in aanmerking bij de vraag of het ECB-besluit, dat overeenstemde met dit advies, toereikend was gemotiveerd.19 Dit oordeel is bevestigd door het Hof.20 De ABoR verricht, kortom, een interne administratieve toetsing en haar advies maakt onderdeel uit van het besluitvormingsproces van de ECB. De eis dat de leden van de ABoR “onafhankelijk” handelen zou in het licht van bovenstaande beter kunnen worden vervangen door “onpartijdigheid”.21 Dit sluit beter aan bij de feitelijke situatie en de verwevenheid van de ABoR met de ECB. Van de leden van de ABoR mag worden verlangd dat zij hun adviezen geven zonder aanziens des persoons en dat zij hun taak zonder vooringenomenheid vervullen (onpartijdigheid).22 De ABoR is echter niet, anders dan een rechter, onafhankelijk van de uitvoerende macht.
De toetsing door de ABoR is beperkt tot een rechtmatigheidstoets.23 De ABoR dient de discretionaire bevoegdheid van de ECB om te beslissen over de opportuniteit van zijn besluiten te respecteren. De ABoR beoordeelt of de wettelijke voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheden zijn vervuld, maar maakt geen nieuwe belangenafweging. De combinatie van ‘externen’ en een beperking tot een rechtmatigheidstoets hoeft, tegen de achtergrond van de Nederlandse ervaring met (externe) bezwaaradviescommissies, overigens niet te verbazen. Externen in een dergelijke commissie zullen in het algemeen niet of minder vertrouwd zijn met de bestuurlijke en beleidsmatige context die nodig is voor het verrichten van een doelmatigheidstoets, terwijl hen ook de legitimatie ontbreekt om zelf een (nieuwe) beleidsmatige afweging te maken. Hierdoor blijft de toetsing die deze commissies verrichten (in strijd met de bedoeling van de Awb-wetgever) in de praktijk nogal eens beperkt tot rechtmatigheidsaspecten.24
De procedure bij de ABoR is met vergelijkbare waarborgen omkleed als de Nederlandse, door DNB en AFM gevolgde bezwaarprocedure, al bestaan hiertussen wel verschillen. Genoemd kunnen worden het recht om gehoord te worden, waarbij in de Nederlandse situatie het horen uitgangspunt is, maar het ter discretie is van de ABoR of een hoorzitting zal plaatsvinden,25 het recht op inzage in het dossier,26 en het recht op een advocaat.27 Voor de beslissing gelden voorts vergelijkbare termijnen28 en de procedure is (in de praktijk) vertrouwelijk.29