Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/6.4.2
6.4.2 Redemption option value
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS618046:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
ABI-rapport, p. 207, 213 en 214.
ABI-rapport, p. 218.
Deze waarderingsanalyse is gebaseerd op de reorganisatiewaarde. Ik verwijs naar § 3.2.6.
Ook geldt dat het mechanisme kan worden toegepast indien de senior class niet instemt met het akkoord, maar de enige afwijking van de absolute priority rule eruit bestaat dat het akkoord de redemption option value aan de junior crediteuren toekent; ABI-rapport, p. 208 en 218.
“Including any unsecured deficiency claim, plus any non-default interest and allowable fees and expenses accruing through the hypothetical date of exercise of the option, as though the claims remained outstanding on the date of exercise of the option.” ABI-rapport, p. 210.
ABI-rapport, p. 219 en 221.
ABI-rapport, p. 208.
De reorganization value houdt in: “the enterprise value attributable to the reorganized business entity, plus the net realizable value of its assets that are not included in determining the enterprise value and are subject to subsequent disposition as provided in the confirmed plan.” ABI-rapport, p. 207.
“Small or medium-sized Enterprises” (SME) zijn, beknopt weergegeven, gedefinieerd als (i) ondernemingen zonder publiek verhandelbaar eigen of vreemd vermogen en (ii) met minder dan USD 10 miljoen aan activa op de balans op de dag dat de onderneming een verzoek tot Chapter 11 doet. Ook een onderneming die aan voorwaarde (i) voldoet maar meer dan USD 10 miljoen en minder dan USD 50 miljoen aan activa op de balans heeft, kan verzoeken om als SME te kwalificeren (ABI-rapport, p. 279). Voor SME heeft ABI een aanbeveling gedaan voor een “equity retention structure” zodat een bestuurder tevens aandeelhouder na een akkoord (op grond waarvan zijn aandelenbelang zou verwateren) heel beknopt weergegeven alsnog en dus in afwijking van de absolute priority rule een (beperkt) aandelenbelang houdt zodat de bestuurder (met alle relaties en know how) “aligned” blijft. Voor meer details wordt verwezen naar p. 300 e.v. van het ABI-rapport.
ABI-rapport, p. 219.
ABI-rapport, p. 223. Vgl. C.J. Tabb, The Bankruptcy Clause, the Fifth Amendment, and the Limited Rights of Secured Creditors in Bankruptcy, 2014, p. 5: “Outside of bankruptcy, the secured lender may have considerable difficulty capturing anything above liquidation value. If the bankruptcy process itself allows the recovery of more value, why should all of that bankruptcy-enabled excess go to the secured lender?”
Voor een nadere uitleg wordt verwezen naar: F. Black & M. Scholes, ‘The Pricing of Options and Corporate Liabilities’, The Journal of Political Economy, Vol. 81, no. 3, 1973, p. 637-654; J.C. Hull, Options Futures and Other Derivatives, 2002.
ABI-rapport, p. 210 en 223.
Sterker nog: ten aanzien van de DCF-waardering kunnen de inschattingen omtrent de toekomst (en daarmee de verwachte kasstromen) elke dag veranderen.
ABI stelt dat het systeem zo dient te worden aangepast dat er aan de klasse die net out of the money is (de klasse die als eerste ook voldaan zou worden als de ondernemingswaarde hoger zou zijn), iets van een waarde wordt toegekend. ABI presenteert hiervoor een nieuw mechanisme, hetgeen als volgt wordt ingeleid:
“The general priority scheme of chapter 11 should incorporate a mechanism to determine whether distributions to stakeholders should be adjusted due to the possibility of material changes in the value of the firm within a reasonable period of time after the plan effective date (…), which would enable junior creditors to “redeem” in full the allowed claim of the impaired senior creditors receiving the reorganization value of the company under such plan or sale.”1[onderstreping SvdB]
Dit mechanisme wordt voornamelijk relevant als de klasse die op grond van de waarderingsanalyse out of the money is,2 maar net onder de klasse valt die wel wordt voldaan, tegen het akkoord stemt.3 Deze tegenstemmende klasse wordt aangeduid als de “immediately junior class”. ABI stelt dat deze immediately junior class ook waarde zou moeten kunnen toekomen, namelijk de redemption option value. Zoals weergegeven betreft de redemption option value een deel van de waarde van (slechts) de hypothetische optie om de gehele onderneming te kopen tegen een uitoefenprijs gelijk aan de nominale waarde van de vorderingen van de (senior) in the money crediteuren4 (de “redemption price”) met een looptijd gelijk aan drie jaar na de opening van de Chapter 11 procedure (de “redemption period”).5
De redemption option value houdt dus rekening met een hogere ondernemingswaarde gedurende drie jaren na de opening van de procedure (oftewel: onderwaardering op het moment van de akkoordprocedure). Het betreft een bedrag dat aan die klasse moet toekomen die op grond van de ondernemingswaarde, de “reorganization value”, en het akkoord net buiten de boot valt. Oftewel:
“A distribution of redemption option value, if any, would be made to an immediately junior class to reflect the possibility that , between the plan effective date or sale order date and the third anniversary of the petition date (the “redemption period”), the value of the firm might have been sufficient to pay the senior class in full with interest and provide incremental value to such immediately junior class .” 6[onderstreping SvdB]
De rol die waardering in Chapter 11 heeft, blijft ook in de aanbeveling van ABI onverminderd groot. Immers, de redemption option value wordt berekend aan de hand van onder andere de reorganization value. Hiervoor dient de “enterprise value attributable to the reorganized business entity” te worden berekend.7 Op de berekening van de redemption option value wordt hierna nog met een cijfermatige toelichting ingegaan.
De redemption option value zou slechts bij grote ondernemingen moeten gelden, althans niet voor small or medium-sized enterprises.8 ABI stelt zich voor dat de U.S. Bankruptcy Code § 1129(b) zodanig wordt gewijzigd dat de rechter een plan kan goedkeuren dat op zichzelf niet voldoet aan de absolute priority rule (en de senior class daarom tegenstemt), maar waarbij de enige afwijking van deze regel eruit bestaat dat aan de immediately junior class de redemption option value zal worden toegewezen. De rechter zal het plan ook kunnen goedkeuren als (slechts) de immediately junior class tegenstemt (en het dus niet eens is met de gepresenteerde reorganization value), maar deze klasse op grond van het plan wel de redemption option value toekomt en de reorganization value niet in “bad faith” is voorgesteld.9 Dit laatste dient ertoe om de immediately junior class af te schrikken om de reorganization value te gaan betwisten, omdat het de verwachting is dat aan de toets of het plan in bad faith is voorgesteld, relatief eenvoudig kan worden voldaan. Zodoende dient het systeem er enerzijds toe te leiden dat aan de crammed down immediately junior class ook (enige) waarde toekomt, terwijl het risico op dure, lange processen naar verwachting beperkt wordt. Volgens sommige auteurs houdt de redemption option value op een gebalanceerde manier rekening met de belangen van de voornaamste stakeholders.10
ABI stelt vooralsnog voor om deze (hypothetische) optiewaarde te berekenen op grond van het door de economen Black & Scholes ontwikkelde waarderingsmodel voor de berekening van economische optieprijzen.11 Ik benadruk dat de redemption option value niet inhoudt in dat de immediately junior class daadwerkelijk een optierecht wordt toegewezen. De hypothetische optiewaarde dient er slechts toe om een bedrag te bepalen dat via contanten, vreemd of eigen vermogen (of een andere vorm van betaling) of op welke andere door de senior creditors te bepalen wijze, ten laste van de senior creditors aan de immediately junior class zal toekomen op het moment van homologatie van het akkoord.12
Voor de volledigheid: de redemption option value impliceert naar mijn idee ook niet dat er naast de going concern reorganisatiewaarde nog een andere waarde aan de onderneming is verbonden. Het gaat erom dat de waardering van de onderneming op korte termijn kan toenemen, althans dat het akkoord de facto op grond van een onderwaardering wordt doorgevoerd. Theoretisch geldt dat als de waarde van een onderneming niet zou stijgen, de optie om de onderneming van de aandeelhouders (de voormalige in the money crediteuren) te kopen (voor een bedrag gelijk aan de nominale waarde van de vorderingen van deze klasse) niet waardevol wordt. Dat de waarde van de onderneming gelijk blijft, staat op het moment van homologatie van het akkoord niet vast.13 Een onderneming (met nieuwe aandeelhouders) zal er veel aan doen om de waarde van een onderneming te laten stijgen.14 Op het moment dat de waarde van de onderneming stijgt, zou de optie om de onderneming van de aandeelhouders te kopen (voor een bedrag gelijk aan de nominale waarde van de vorderingen van deze klasse) waardevol kunnen worden. Ook al is de waardering van de onderneming op het moment van het akkoord (ook) gebaseerd op schattingen van de toekomstige kasstromen, dan kan door de gewijzigde situatie in de toekomst de waarde van de onderneming toenemen. Van dat hypothetische scenario, en van de daarvan afgeleide kanswaarde, wordt bij de berekening van de redemption option value uitgegaan.