Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/4.4.1.2
4.4.1.2 Directe (horizontale) werking
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955534:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp 3-I 2023, nr. 9-21.
HvJ EU 17 april 2018, C-414/16, ECLI:EU:C:2018:257 (Egenberger) (art. 21 Handvest); HvJ EU 6 november 2018, C-569/16, ECLI:EU:C:2018:871 (Bauer & Broßonn) (art. 31 lid 2 Handvest); HvJ EU 15 januari 2014, C-176/12, ECLI:EU:C:2014:2 (AMS) (art. 47 Handvest).
Zie Sieburgh, RMThemis 2015, afl. 1, p. 3-6.
Asser/Hartkamp 3-I 2023, nr. 12.
Een schending van het kartelverbod kan ook andere rechtsgevolgen hebben; zie HvJ EG 14 december 1983, C-319/82, ECLI:EU:C:1983:374 (Société de vente/Kerpen); HvJ EU 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage/Crehan); HvJ EG 13 juli 2006, C-295/04 t/m 298/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi); HvJ EG 11 september 2008, C-279/06, ECLI:EU:C:2008:485 (CEPSA/Tobar). Zie ook Asser/Hartkamp 3-I 2023, nr. 44-46.
Hartkamp, WPNR 2014/7035, p. 961.
Sieburgh, RMThemis 2015, afl. 1, p. 3-6.
Zie Asser/Hartkamp 3-I 2023, nr. 21; Hartkamp 2013, p. 189-197.
Zie Asser/Hartkamp 3-I 2023, nr. 147.
Directe (verticale) werking. Bepalingen van het Handvest lenen zich voor toetsing voor zover ze directe werking hebben.1 Het Hof van Justitie heeft voor enkele grondrechten uit het Handvest verduidelijkt dat zij directe werking hebben.2 De rechtstreekse werking van bepalingen van het EVRM berust als gezegd op art. 94 Gw, dat bepaalt dat een regel van nationaal recht buiten toepassing moet blijven als deze onverenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het EHRM is op grond van art. 19 EVRM bevoegd de naleving van het verdrag te verzekeren. De bepalingen van het EVRM kunnen daarnaast dienen als toetssteen voor rechtmatigheid van handelen van lidstaten en van de Unie zelf. In het laatste geval is het Hof van Justitie de hoogst aangewezen rechterlijke instantie.
Directe horizontale werking. Grondrechten worden traditioneel toegepast in relaties tussen overheid en particulieren, maar ze kunnen ook doorwerken in horizontale verhoudingen.3 Over het algemeen wordt onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte horizontale werking. Hartkamp verstaat onder directe horizontale werking het geval waarin een bepaling van Unierecht, zonder tussenkomst van een nationale bepaling, rechten of verplichtingen tussen particulieren wijzigt, laat ontstaan of doet tenietgaan.4 Een voorbeeld van een bepaling met directe horizontale werking is art. 101 lid 2 VWEU, dat bepaalt dat de in het eerste lid genoemde overeenkomsten nietig zijn.5 Van indirecte horizontale werking is sprake als een regel van Unierecht niet rechtstreeks gevolgen heeft voor een rechtsverhouding tussen particulieren, maar haar op een andere manier beïnvloedt. Dit doet zich onder meer voor wanneer een nationale regel die van toepassing is op een privaatrechtelijke rechtsverhouding wordt uitgelegd in het licht van een regel van Unierecht. Het kan ook voorkomen dat in een procedure tussen particulieren de onderliggende nationale regel wordt getoetst aan het Unierecht. 6 Het betreft hier een vorm van directe verticale werking met indirecte horizontale werking.7
Opmerking verdient dat er auteurs zijn die een ruimere definitie van het begrip ‘directe horizontale werking’ hanteren. Zij verstaan onder het begrip ook de toetsing van een regel van Unierecht in een geschil tussen particulieren.8 Volgens de definitie van Hartkamp is in zulke gevallen geen sprake van directe horizontale werking.9 De enkele toetsing van een wetsbepaling doet tussen partijen immers nog geen rechten of verplichtingen ontstaan, wijzigen of tenietgaan.