Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/4.4.1
4.4.1 Bescherming van grondrechten in het EVRM en het Handvest
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955473:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 15 mei 1986, C-222/84, ECLI:EU:C:1986:206 (Johnston), rov. 18; HvJ EG 15 oktober 1987, C-222/86, ECLI:EU:C:1987:442 (Heylens), rov. 14.
HvJ EG 3 september 2008, C-402/05P en C-415/05P, ECLI:EU:C:2008:461 (Kadi & Al Barakaat/Raad), rov. 285.
Vgl. HvJ EU 18 juni 2015, C-583/13P, ECLI:EU:C:2015:404 (Deutsche Bahn).
Pb. EU 2000, C 364, p. 1 (versie 2000) en Pb. EU 2010, C 83, p. 2 (versie 2009). Zie art. 6 EUV. Zie ook: Barkhuysen & Bos, JBplus 2011, afl. 1, p. 3-34. Zie, ten aanzien van het privaatrecht: Barkhuysen, Bos & Ten Have, NTBR 2011/68, afl. 9, p. 479-491 en NTBR 2011/75, afl. 10, p. 547-557.
Zie art. 51 lid 1 Handvest. Zie ook: HvJ EU 26 februari 2013, C‑617/10, ECLI:EU:C:2013:105 (Akerberg Fransson), rov. 19; HvJ EU 9 maart 2017, C-406/15, ECLI:EU:C:2017:198 (Milkova), rov. 54.
Zie Toelichting, C-303/02, p. 35.
HvJ EU 26 februari 2013, C-399/11, ECLI:EU:C:2013:107 (Melloni), rov. 60; HvJ EU 26 februari 2013, C‑617/10, ECLI:EU:C:2013:105 (Akerberg Fransson), rov. 29.
De bepaling verhindert niet dat het Unierecht een ruimere bescherming biedt.
Zie ook art. 53 Handvest: “Geen van de bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten”.
Toelichting, C-303/02, p. 34. Zie ook: HvJ EU 20 maart 2018, C-524/15, ECLI:EU:C:2018:197 (Menci/Procura della Repubblica), rov. 23.
Zie ook Dommering 2019, die in dit verband spreekt van een ‘duale rechtsorde’.
EVRM. Bepalingen van het EVRM werken ingevolge art. 93 Gw rechtstreeks door in het Nederlandse recht. Uit art. 94 Gw volgt bovendien dat direct werkende bepalingen van het EVRM voorrang hebben boven het nationale recht. Daarnaast worden de grondrechten uit het EVRM volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie beschouwd als ongeschreven algemene beginselen.1 De grondrechten uit het EVRM vormden dus al voor de inwerkingtreding van het Handvest een voorwaarde voor de wettigheid van het handelen van de Unie.2 Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon maken de grondrechten uit het EVRM ingevolge art. 6 lid 3 VEU als geschreven algemene beginselen onderdeel uit van het Unierecht.3 Desondanks verwijst het Hof van Justitie nog met enige regelmaat naar het EVRM.4 In situaties die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen komt echter vooral belang toe aan het Handvest.5
Handvest. Bepalingen van het Handvest en (andere) algemene beginselen die grondrechten bevatten vinden toepassing in situaties die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen.6 Het Handvest heeft geen betrekking op zuiver nationale gevallen.7 Art. 51 lid 1 Handvest bepaalt dat de Unie en haar lidstaten de beginselen van het Handvest naleven en de daarin vervatte rechten eerbiedigen. Beginselen zijn alleen van belang voor de rechter wanneer die handelingen worden geïnterpreteerd en getoetst. Uit rechten kunnen daarnaast ook positieve verplichtingen voor instellingen van de Unie of diens lidstaten voortvloeien.8 Tot slot verwijst art. 53 Handvest naar de grondwetten van de lidstaten als relevante rechtsbron. Het Hof van Justitie heeft in een aantal arresten verduidelijkt dat nationale autoriteiten en rechterlijke instanties nationale grondrechtenbescherming mogen toepassen, zolang dit niet ten koste gaat van het beschermingsniveau dat het Handvest biedt of afbreuk doet aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht.9 Het staat de rechter dus niet vrij om op grond van een nationale grondwettelijke bepaling een regel van Unierecht buiten toepassing te laten.
Onderlinge verhouding. Tussen het Handvest en het EVRM bestaat een nauwe samenhang. Art. 52 lid 3 Handvest bepaalt dat de grondrechten die erin zijn vastgelegd minimaal dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als de corresponderende grondrechten in het EVRM. De verwijzing naar het EVRM geldt zowel voor het verdrag zelf als de eraan gehechte protocollen.10 De inhoud van de grondrechten in het Handvest wordt dus mede bepaald door de overeenkomstige EVRM-grondrechten en de uitleg ervan door het EHRM (en in mindere mate het Hof van Justitie).11 Volgens de toelichting bij het Handvest moet de autonomie van het Unierecht en van het Hof van Justitie behouden blijven.12 Omgekeerd hecht het EHRM ook waarde aan de uitleg die het Hof van Justitie geeft aan bepalingen uit het Handvest. Dit heeft geleid tot een voortdurende dialoog tussen beide hoven die, binnen de grenzen van beide rechtssystemen en met behoud van hun autonomie, bijdraagt aan de bevordering van uniforme bescherming van grondrechten in Europa.13
4.4.1.1 Beperkingssystematiek4.4.1.2 Directe (horizontale) werking