Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/7.7.4
7.7.4 Burgerlijk rechter
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268407:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Deze bevoegdheid steunt op art. 112, eerste lid Grondwet.
Art 3:1, tweede lid, Awb en de afdelingen 3.2 tot en met 3.5 Awb.
Zie ook par. 2.
Art. 3:4, tweede lid, Awb.
Na een definitief toetsingsbesluit is -incidenteel- wel bij de burgerlijk rechter geprocedeerd ter vergoeding van schade. Een bijzonder geval betreft de VPV-kwestie. In deze zaak had de hoogste bestuursrechter de door DNB en de AFM gegeven aanwijzingen tot heenzending van twee bankbestuurders wegens gebreken in de betrouwbaarheid, vernietigd. Hoewel daarmee de onrechtmatigheid van het handelen van de toezichthouders en de toerekenbaarheid in beginsel vast stond werd de door de bestuurders ingestelde vordering tot schadevergoeding door de burgerlijk rechter, eveneens in hoogste instantie, afgewezen. Betrokkenen waren na de aanwijzingen van de toezichthouders door de strafrechter veroordeeld wegens handel met voorwetenschap. Deze latere gebeurtenis kwam voor risico van de bestuurders en zou tot dezelfde, voortdurende, schade hebben geleid. Zie HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7193.
Vergelijk ook de Vie d’Or-jurisprudentie, HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2077, r.o 4.3.3, JOR 2006/295 m.nt. D. Busch.
Art. 1:25d, eerste en tweede lid Wft. De aansprakelijkheidsbeperking vindt echter geen toepassing wanneer sprake is van een schending van het Unierecht, waarbij a) de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, er b) sprake is van een “voldoende gekwalificeerde schending”, en c) een direct causaal verband bestaat tussen de schending en de door de gedupeerde geleden schade. Dit is vaste jurisprudentie van het Hof over lidstaataansprakelijkheid (zie ook hierna). De Kantarev-uitspraak (arrest van het Hof van 4 oktober 2018, C-571/1, ECLI:EU:C:2018:807) kan beschouwd worden als een concrete toepassing van deze jurisprudentie. In deze zaak oordeelde het Hof voor de eerste keer dat de wettelijke aansprakelijkheidsbeperking van een toezichthouder, in dit geval de Bulgaarse Centrale Bank, in dit specifieke geval buiten toepassing bleef (voor zover deze opzet als voorwaarde stelde voor aansprakelijkheid). Een uitvoerige bespreking van deze uitspraak gaat de kaders van dit proefschrift te buiten. Verwezen zij hiervoor naar de annotaties bij deze uitspraak door De Serière, Busch en Keunen (V.P.G. de Serière, NJ 2019/28, afl. 5, p. 391-410; D. Busch & S.A. M. Keunen, “Wettelijke aansprakelijkheidsbeperking AFM en DNB strijdig met Unierecht?”, AA 2019/1, p. 59-64 en D. Busch & S.A.M. Keunen, JOR 2019/34, afl. 2, p. 411-435).
Zie bijvoorbeeld CRvB 7 april 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA3661 en CRvB 4 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4752. Of causaal verband moet worden aangenomen, is volgens de Raad afhankelijk van alle omstandigheden van het concrete geval. Zie over deze problematiek ook C.J.N. Kortmann, ‘De uitkeringsinstantie gaat vrijuit. Waarom eigenlijk?’, JBplus 2003, afl. 1, p. 15-25, die meent dat de argumentatie van de Raad eerder wijst op de honorering van een relativiteitsverweer dan het ontbreken van causaal verband en W.J.M. van Tongeren, ‘Een ex-arbeidsongeschikte werknemer tussen een uitvoeringsinstelling en zijn werkgever’, ArbeidsRecht 1999/42, afl. 8/9, p. 4-7.
Zie hierover ook M. ten Broeke, ‘De arbeidsverhouding na een negatief hertoetsingsoordeel’, TRA 2016/22, afl. 3, p. 5-6.
Zie HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0904 en HR 23 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6295, r.o. 3.3. Bepalend lijkt de opstelling van de werknemer die zichzelf niet ongeschikt acht om het werk te verrichten, zich hiertoe ook bereid verklaart, protesteert tegen het oordeel en bijvoorbeeld de werkgever ook “tegenbewijs” weet te leveren.
Zie overweging (61) van de SSM-Verordening.
HvJ EU 5 maart 1996, C-46/93 en C-48/93, ECLI:EU:C:1996:79, r.o. 42-55 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), en HvJ EU 4 juli 2000, C-352/98, ECLI:EU:C:2000:361, r.o. 39-46 (Bergaderm).
HvJ EU 19 november 1991, C-6/90 en C-9/90, ECLI:EU:C:1991:428, r. o. 40 (Francovich en Bonifaci), sindsdien vaste rechtspraak.
Zie ook E.J. van Praag, ‘Aansprakelijkheid van financiële toezichthouders naar Europees recht’, SEW 2014, afl. 5, p. 214-231.
Tegen “voorbereidingshandelingen”, zoals inlichtingen die door het bestuursorgaan worden verstrekt voorafgaand aan het te nemen besluit en ander feitelijk handelen van het bestuur, kan wel bij de burgerlijk rechter worden opgekomen. Deze stelt zich, zoals besproken in paragraaf 7.4.1, terughoudend op zolang er nog bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat tegen het te nemen besluit. Is dit echter niet (langer) het geval, dan vervult de burgerlijk rechter de rol van “restrechter”.1 Deze kan worden aangezocht via een actie uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).
Aanspreken van de nationale toezichthouder
Al het feitelijk handelen van de toezichthouder dient te voldoen aan de (ongeschreven) algemene beginselen van behoorlijk bestuur, voor zover de aard van de handelingen zich hiertegen niet verzet (zie paragraaf 7.3.1).2 Schending van genoemde beginselen kan als een onrechtmatig daad worden gekwalificeerd. Gedacht kan worden aan het beginsel van zorgvuldige voorbereiding, het gebod van belangenafweging en het verbod op détournement de pouvoir.3 Zo mag van de toezichthouder worden verwacht dat deze zijn voornemen tot een negatief toetsingsoordeel niet aankondigt zonder gedegen en zorgvuldig voorafgaand onderzoek en oordeelsvorming, rekening houdend met de verstrekkende gevolgen die deze mededeling kan hebben voor betrokkenen en met afweging van alle belangen. Naarmate de gevolgen van het handelen ingrijpender zijn, zal de toezichthouder tot grotere zorgvuldigheid zijn gehouden.4
In de praktijk is, voor zover mij bekend, een onrechtmatige daadsactie tegen een voorlopig toetsingsoordeel nog nooit ingesteld.5 Naar verwachting zal een dergelijke vordering ook niet eenvoudig worden toegewezen. In de praktijk zal niet snel sprake zijn van een zodanige schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat dit als onrechtmatig kan worden bestempeld.6 Bovendien kan een veroordeling tot het vergoeden van schade afstuiten op de wettelijke aansprakelijkheidsbeperking van de toezichthouders, die deze aansprakelijkheid beperkt tot gevallen van opzet of grove schuld.7
Hoewel ook hier geen zekerheid over bestaat (het Hof heeft deze vraag nog niet voorgelegd gekregen), lijkt mij het nationale aansprakelijkheidsregime niet aan de orde in die gevallen dat DNB de ECB assisteert bij de uitvoering van ECB-toetsingen en de voorbereiding van ECB-besluiten. Mocht de nationale toezichthouder in deze context onrechtmatig handelen, dan moet dit handelen mijns inziens in beginsel aan de orde worden gesteld bij het opkomen tegen dit ECB-besluit. Vergelijk de eerder genoemde zaak Berlusconi, Fininvest/Banca d’Italia (paragraaf 7.3.2). Aan aansprakelijkheid van DNB als nationaal toezichthouder, op grond van het nationale aansprakelijkheidsregime, wordt dan niet toegekomen. Voor de ECB geldt, zoals hierna wordt toegelicht, geen aansprakelijkheidsbeperking.
Daarnaast kan het causaal verband tussen mededeling en schade in de driepartijenverhouding tussen toezichthouder, instelling en beleidsbepaler, een lastig punt blijken. Ook de instelling heeft immers handelingen verricht die tot de schade hebben geleid (de beleidsbepaler teruggetrokken, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het geven van een zienswijze en ook de beleidsbepaler de mogelijkheid tot hoor en wederhoor ontnomen). Vergelijkbare “driehoeksproblematiek” doet zich bijvoorbeeld voor in de uitkeringssfeer, wanneer de uitkeringsinstantie de werknemer arbeidsongeschikt verklaart, de werknemer het hier niet mee eens is maar de werkgever, afgaande op het oordeel van de uitkeringsinstantie (het bestuursorgaan), de werknemer de toegang tot het werk ontzegt. Wanneer later blijkt dat het oordeel onjuist was en de werknemer arbeidsgeschikt is geweest, heeft deze de grootste moeite om zijn schade verhaald te krijgen op het bestuursorgaan.8
Tot slot is het de vraag of de beleidsbepaler in de civiele procedure ook echt antwoord krijgt op de vraag of hij voldoet aan de geschiktheids- en betrouwbaarheidsnormen. In de civiele procedure staat immers niet zozeer het toetsingsoordeel, maar het handelen (doen en nalaten) van de toezichthouder bij de totstandkoming ervan centraal.
Aanspreken van de instelling
Een andere vraag is uiteraard of de instelling gehouden kan zijn om de door de beleidsbepaler geleden schade te vergoeden, nu deze de beleidsbepaler heeft teruggetrokken (of ontslagen) zonder dat een besluit, laat staan een onherroepelijk besluit, de instelling dwong aldus te handelen.9 De slagingskansen van een dergelijke procedure zullen ongetwijfeld afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder het bestaan van een arbeidsrelatie en, analoog aan de hiervoor genoemde uitkeringsjurisprudentie, de opstelling van de beleidsbepaler.10 Hoewel betoogd kan worden dat de instelling moet kunnen afgaan op het oordeel van de toezichthouder, en op grond daarvan een eigen afweging te maken heeft over het voortzetten van de procedure, zou deze toch gehouden kunnen zijn om geleden schade te vergoeden wanneer, bijvoorbeeld, de beleidsbepaler zich tegen het terugtrekken heeft verzet en heeft gesteld dat er sprake is van onjuiste feiten die eenvoudig in de zienswijzefase rechtgezet hadden kunnen worden. Ook op dit punt is mij overigens geen rechtspraak bekend.
Aansprakelijkheid van de ECB
Een beleidsbepaler van een significante bank zal met eenzelfde problematiek te maken krijgen wanneer deze de ECB zou willen aanspreken op haar feitelijk handelen. Op zichzelf kan, op grond van artikel 268 VWEU, ook tegen een “handeling” van de ECB een beroep tot schadevergoeding worden ingesteld bij het Hof. Voorts geldt voor de ECB het voor EU- instanties gebruikelijke (volledige) aansprakelijkheidsregime dat is neergelegd in art. 340 VEU.11 Aansprakelijkheid is echter door het Hof beperkt tot een “sufficiently serious breach”, waarvan alleen sprake is in situaties waarin de EU-instelling op kennelijke en ernstige wijze (“manifestly and gravely”) zijn discretionaire bevoegdheden overschrijdt.12 Daarnaast speelt ook in de Europese context het causaal verband een essentiële rol. Een van de drie vereisten voor een recht op schadevergoeding is het bestaan van een direct causaal verband tussen de schending en de geleden schade.13 De Europese toezichthouder zal daarom, net als de Nederlandse toezichthouders, niet gemakkelijk veroordeeld worden tot het vergoeden van schade.14