Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.8.3.1
5.8.3.1 (Bestuurders)aansprakelijkheid op grond van Boek 1 BW
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306118:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dozy 2013. Evenzo: Wezeman 1998, pp. 371-372 die erop wijst dat de aansprakelijkheid van een voogd-rechtspersoon kan voortvloeien uit slecht bewind (art. 1:337 lid 2 BW) of uit onrechtmatige daad. In die gevallen kan volgens Wezeman een actie ex art. 6:162 BW tegen de tweedegraads bestuurders uitkomst bieden.
HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux), r.o. 3.4.2.
HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux), r.o. 3.4.3.
Anders: Wezeman 1998, p. 371-372 die van mening is dat de aansprakelijkheid ex art. 1:304 BW niet via art. 2:11 BW kan worden doorgeschakeld. Wezeman beperkt de normatieve reikwijdte van art. 2:11 BW uit rechtszekerheidsoverwegingen tot de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van Boek 2 BW.
Bij Boek 1 BW denkt men niet direct aan bestuurdersaansprakelijkheid. Toch treft men in dat Boek wel degelijk ten minste één grond voor bestuurdersaansprakelijkheid aan, althans – iets voorzichtiger geformuleerd – één grond die men als zodanig zou kunnen beschouwen.
Art. 1:304 lid 1 BW bepaalt dat de bestuurders van een rechtspersoon die als voogd optreedt1 hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk zijn voor iedere schade die te wijten is aan een niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij. De schade kan veroorzaakt zijn door een slecht bewind (art. 1:337 lid 2 BW) of door het plegen van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).2 Een rechtspersoon kan bestuurder zijn van een dergelijke rechtspersoon-voogd. Dat wordt in elk geval niet verboden.
Ondanks het feit dat onderhavige bepaling aan een bestuurder een aansprakelijkheid oplegt, kan men zich afvragen of – indien sprake is van een rechtspersoon-bestuurder – art. 2:11 BW op de betreffende aansprakelijkheid van toepassing is. Twijfel bij beantwoording van die vraag wordt ingegeven door het feit dat sprake is van een sanctie gesteld op het handelen/nalaten van de bestuurde rechtspersoon, maar niet van een sanctie op het handelen/nalaten van de rechtspersoon-bestuurder. Niettemin ben ik van mening dat deze aansprakelijkheid wel degelijk onder de reikwijdte van art. 2:11 BW valt. Het betreft namelijk een sanctie die de wet aan een bestuurder oplegt in verband met het niet-naleven van in de wet neergelegde normen waardoor de doeleinden van deze normen zo veel mogelijk worden bereikt. De vindplaats in de wet van de grond van bestuurdersaansprakelijkheid (Boek 1 BW, Boek 2 BW of elders) is voor mij niet relevant. Steun voor dit standpunt vind ik in het arrest Kampschöer/Le Roux waarin de Hoge Raad bevestigt dat noch uit de tekst, noch uit de ratio van art. 2:11 BW volgt dat een beperking is beoogd tot toepassing van art. 2:11 BW op een of meer bepaalde wettelijke grondslagen van bestuurdersaansprakelijkheid.3 De Hoge Raad voegt daaraan toe dat art. 2:11 BW van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet.4
Een aanpak van een tweedegraads bestuurder van een rechtspersoon-voogd zal mijns inziens in dit geval dan ook niet gezocht hoeven te worden in een ruime uitleg van het in het onderhavige artikel gebruikte begrip “bestuurder”.5