De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.1:4.1 Inleiding
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232399:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ook ten aanzien van hen is geen sprake van delegatie, Handboek Erfrecht F.W.J.M. Schols 2015/VI.1.8.
Zie Bauduin & Reijnen 2014, waar ook een verband wordt gelegd tussen wilsdelegatie en de stichting.
Vgl. B. Schols 2007, p. 110 e.v. over de ‘opdracht’ van de erflater aan de executeur en de samensmelting van de wil van de erflater, de executeur en de erfgenamen tot één wil, die van de erflater.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek staat de vraag centraal of de bij of krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting, in het maatschappelijk verkeer, waaronder de verhouding tussen de stichting en de oprichter, dezelfde positie inneemt als de bij leven opgerichte stichting. Verder stel ik mij de vraag of de bij dode opgerichte stichting als verkrijger uit de nalatenschap van de erflater/oprichter een andere positie inneemt dan een verkrijger/natuurlijk persoon. In dit kader besteed ik aandacht aan aspecten uit zowel het erfrecht als het rechtspersonenrecht. Na de zijdelingse behandeling van artikel 2:286 BW in het vorige hoofdstuk, ga ik dit hoofdstuk nader in op de materiële aspecten van (statuten van de) stichting bezien vanuit het rechtspersonenrecht. Maar eerst het volgende.
In het onderzoek naar de bij dode opgerichte stichting dat zich op het grensgebied van het erfrecht en het rechtspersonenrecht afspeelt, zullen vooral erfrechtelijk geschoolden zich hierna misschien af en toe de vraag stellen of bij bepaalde bevoegdheden van een bij dode opgerichte stichting of van haar organen een verband bestaat met het erfrechtelijke leerstuk van delegatie. Hoewel deze gedachte voor de hand ligt, bestaat geen direct verband. De bevoegdheden en verplichtingen van de stichting of haar organen die hun grondslag vinden in Boek 2 BW, zijn bevoegdheden en verplichtingen die de erflater/oprichter zelf nooit heeft gehad.
Als de stichting eenmaal bestaat, oefent de stichting of haar organen eigen bevoegdheden uit, net als een executeur of bewindvoerder.1 Aan erfrechtelijke delegatie wordt pas toegekomen als de erflater zijn erfrechtelijke bevoegdheden wil overlaten aan de stichting. Deze bevoegdheden worden tenslotte niet aan Boek 2 BW ontleend. Niettemin is in een meer indirect verband de gedachte aan delegatie nog niet zo gek.2 Door bij uiterste wilsbeschikking een stichting op te richten, regeert de erflater immers over zijn graf heen. Daarbij komt dat voor de stichting de wil van de oprichter van groot belang is, zo bleek in hoofdstuk 2. (In 4.4.1 kom ik hierop terug in het kader van de (on)mogelijkheid van statutenwijziging.) Als al gesproken kan worden van delegatie, dan toch over een abstractere vorm dan die bedoeld is in Boek 4 BW. Eerder in de zin dat ook de executeur of de bewindvoerder de wil van de erflater uitvoert.3
Terug naar waar dit hoofdstuk over gaat. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op een aantal positiefrechtelijke aspecten uit het rechtspersonenrecht die van specifiek belang zijn voor de bij dode opgerichte stichting. Ook de wettelijke aansprakelijkheid van de notaris mag niet ontbreken hoewel gesteld zou kunnen worden dat deze verantwoordelijkheid niet onverbrekelijk is verbonden met het rechtspersonenrecht. Omdat de notariële aansprakelijkheid is opgenomen in artikel 2:286 lid 5 BW behandel ik deze hier toch. Steeds is de centrale vraag of voor de bij dode opgerichte stichting in het rechtspersonenrecht andere regels gelden dan voor de bij leven opgerichte stichting.
Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. Als eerste wordt in 4.2 de verantwoordelijkheid van de notaris voor de inhoud van de statuten behandeld. In 4.3 staat de inhoud van de statuten en de betekenis daarvan voor de bij dode opgerichte stichting centraal. De mogelijkheid van statutenwijziging behandel ik in 4.4. De bestuursonbevoegdheid uit artikel 2:291 lid 2 BW komt aan de orde in 4.5. Het einde van de stichting is het onderwerp van 4.6. Tot slot is in 4.7 een conclusie opgenomen.