Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.3.2.2
9.3.2.2 Het verlichten van de bewijslast
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655729:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook de verschillende oplossingen die ik heb besproken in § 1.4.
Zie over deze oplossingen § 1.4.2.3 respectievelijk § 1.4.3.
Zie over de verzwaarde motiveringsplicht § 9.4.2.2.
Vgl. in dit verband Rb. Amsterdam 30 juli 2008, HA ZA 05-1645 (niet gepubliceerd) (Double Dutch Management en Beheer B.V. e.a./Vlasveld e.a.), r.o. 5.36. In deze zaak stelde (onder meer) een groep onbetaald gebleven crediteuren van vennootschap CSS System Integration B.V. de bestuurders van de beursgenoteerde moedervennootschap CSS Holdings N.V. aansprakelijk op grond van onder meer art. 2:139 BW wegens het publiceren van misleidende financiële verslaggeving. In het kader van het (bewijs van het) causaal verband tussen (het publiceren van) de misleidende verslaggeving en de door de crediteuren gestelde schade moet vervolgens de vraag worden beantwoord of bij afwezigheid van de misleiding de crediteuren al dan niet bereid zouden zijn geweest tot leveranties aan CSS SI. De rechtbank oordeelt weliswaar terecht dat de stelplicht en bewijslast op dit punt op de benadeelde crediteuren rusten, maar zegt vervolgens dat de aangesproken bestuurders hun aanknopingspunten moeten verschaffen voor het door hen te leveren bewijs. De rechtbank zadelt de bestuurders derhalve op met een verzwaarde motiveringsplicht.
Zie over toepassing van het instrument van de verzwaarde motiveringsplicht bij de door een financiële dienstverlener geschonden zorgplicht en daardoor beweerdelijk veroorzaakte beleggingsschade Du Perron & Van Luyn 2004, p. 293. Zie ook de JOR-noot Voerman (sub 8) onder HR 11 juli 2008, JOR 2008/272 (Van Haeren e.a./Fortisbank NV).
Met onder meer Asser en Giesen ben ik van mening dat het feitelijk vermoeden moet worden onderscheiden van de figuur van de zogenoemde ‘voorshandse aannemelijkheid’, zie Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 295 en nr. 303 en Asser 2004, nr. 44 respectievelijk Giesen 2001, p. 68-69. Zie hierover reeds § 1.4.2.3 sub b.
Aldus onder meer Klaassen 2012a, p. 9; Akkermans & Van Dijk 2012, § 5 en § 7; Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Giesen 2009, p. 84-85; Schild 2009, p. 258. Vgl. echter Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 49.5 en nr. 54. Ik wijs erop dat A-G T. Hartlief in punt 3.36 van zijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2017:430, bij HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452 (X/Y en Z) de omkeringsregel wel een toelaatbare oplossing lijkt te vinden voor het verlichten van de bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen enerzijds het door een accountant tekortschieten in zijn waarschuwingsplicht en anderzijds de (ondernemings)beslissing(en) die zijn cliënt vervolgens heeft genomen. Zie in dit verband ook punt 3.12 van de conclusie van A-G T. Hartlief, ECLI:NL:PHR:2017:1100, bij het 81 RO-arrest HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3051 (X/Y en Z), waarin hij enige ruimte ziet voor het toepassen van de omkeringsregel bij schending van waarschuwingsverplichtingen.
Zie in dit verband ook mijn opmerkingen over de omkeringsregel in § 1.4.2.3 sub c.
Het jurisprudentieel vermoeden is voor het onderhavige onderzoek wel relevant, voor zover de door de Hoge Raad gehanteerde bewijslastconstructies in de effectenlease-arresten respectievelijk het World Online-arrest als zodanig kunnen worden geduid. Ik kom hier nog over te spreken. Zie in dit verband ook reeds § 1.4.4.1 respectievelijk § 1.4.4.3.
In de praktijk zal het echter altijd zo zijn dat een bepaald in de rechtspraak toegepast vermoeden pas de status van ‘jurisprudentieel vermoeden’ zal krijgen, wanneer de Hoge Raad het als zodanig heeft aanvaard en het daarmee tot (ongeschreven) regel heeft ‘gepromoveerd’.
Ik wijs erop dat de juiste kwalificatie van een door de rechter gehanteerd vermoeden (feitelijk of jurisprudentieel), niet louter een academische kwestie betreft. Heeft een bepaald vermoeden namelijk eenmaal de status van ‘regel’ verworven, dan is de rechter in beginsel niet langer vrij het desbetreffende vermoeden al dan niet toe te passen. De rechter is dan in principe verplicht het vermoeden toe te passen. In het verlengde hiervan kan het onderscheid tussen feitelijk en jurisprudentieel vermoeden ook van belang zijn voor de toetsing in cassatie.
Zo zou men bijvoorbeeld het door de Hoge Raad in het World Online-arrest geformuleerde ‘uitgangspunt’ voor het (bewijs van het) causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing van de belegger kunnen beschouwen als een jurisprudentieel vermoeden. Zie ook § 9.3.3.2 sub b.
HR 24 december 2010, NJ 2011/251, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2011/54, m.nt. A.C.W. Pijls (Fortis/Bourgonje), r.o. 3.8-3.9.
Ik benadruk dat ik hier louter het oog op de toepassing van het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid of het leerstuk van het verlies van een kans als oplossing voor een onzeker causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing. Ik heb het hier niet over de toepassing van (één van) deze leerstukken als oplossing voor causaliteitsonzekerheid ten aanzien van één van de opvolgende schakels in het causaal verband. Over de laatstgenoemde onzekerheid kom ik in het vervolg van dit hoofdstuk nog te spreken.
Zie in gelijke zin reeds eerder De Jong 2010, p. 259-260.
Zie § 5.4.6 en § 6.2.4.2 sub c.
Om voor schadevergoeding in aanmerking te komen, moeten deze beleggers uiteraard nog wel aantonen dat de door hen betaalde koersinflatie op een zeker moment weer uit de koers is gelopen (en zij toen het aandeel nog niet hadden verkocht).
Voor het verlichten van de bewijslast van de belegger bij het bewijs van het causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing dienen zich verschillende oplossingen aan.1 Twee oplossingen die wat mij betreft als eerste voor toepassing in aanmerking komen, zijn het vermoeden en het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid (en in het verlengde van de laatstgenoemde oplossing het leerstuk van het verlies van een kans).2 Een andere oplossing waar men in eerste instantie wellicht ook aan zou denken, te weten het instrument van de verzwaarde motiveringsplicht zoals we dat kennen uit de sfeer van de aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren (met name artsen),3 is voor het hier bedoelde probleem mijns inziens niet geschikt.4 De relatie tussen een individuele belegger en een beursvennootschap is namelijk geen(pre)contractuele, waarin wederzijdse onderzoeks- en informatieplichten gelden. Dit betekent dat de vennootschap in beginsel niet over informatie zal beschikken over de beweegredenen van de belegger om het litigieuze aandeel al dan niet te kopen. Het heeft om die reden dan ook weinig zin om de aansprakelijk gestelde vennootschap de verplichting op te leggen om in het kader van zijn gemotiveerde betwisting van de stellingen van de belegger, de laatstgenoemde informatie voor eventuele bewijslevering te verschaffen.5
Voor de eerstgenoemde oplossing kunnen drie varianten worden onderscheiden, te weten (i) het wettelijk vermoeden; (ii) het jurisprudentieel vermoeden (waarbij uiteraard in de eerste plaats kan worden gedacht aan de bekende omkeringsregel); en (iii) het feitelijk of rechterlijk vermoeden.6 Voor het onderhavige onderzoek is in principe alleen het derde type vermoeden relevant; de eerste twee typen zijn in beginsel niet van belang. Het eerste type vermoeden is niet relevant, omdat de (voor het onderhavige onderzoek) relevante wettelijke gronden van aansprakelijkheid niet voorzien in een omkering van de bewijslast. Het jurisprudentieel vermoeden bestaande uit toepassing van de omkeringsregel is niet relevant, omdat op grond van de huidige rechtspraak van de Hoge Raad mag worden aangenomen dat deze regel alleen (nog maar) van toepassing is bij schending van verkeers- en/of veiligheidsnormen,7 en we bij misleiding van het beleggende publiek vanzelfsprekend niet met dergelijke normen van doen hebben.8,9
Voor het onderhavige onderzoek is dus in principe alleen het derde type vermoeden relevant, en daarom zal ik alleen dit type vermoeden als instrument om de bewijslast van de belegger mee te verlichten in het hiernavolgende verder analyseren (zie § 9.3.3). Wel moet hierbij worden aangetekend, dat wanneer één van de hierna te bespreken (constructies van) feitelijke vermoedens op een zeker moment zijn weg weet te vinden naar de rechtspraak en het na verloop van tijd wellicht op grote schaal wordt toegepast, het vermoeden daarmee de status van ‘jurisprudentieel vermoeden’ kan verkrijgen.10,11 In zoverre zou men dus kunnen zeggen dat ook het jurisprudentieel vermoeden voor het onderhavige onderzoek van belang is.12
Verder zal ik in het vervolg van deze paragraaf ook ingaan op het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid en – in het verlengde daarvan – het leerstuk van (de vergoeding van) het verlies van een kans als oplossing voor een onzeker causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing van de belegger. Deze oplossingen krijgen echter een minder uitputtende behandeling dan het feitelijk vermoeden, omdat ik – mede gelet op de in het Fortis/Bourgonje-arrest door de Hoge Raad benadrukte terughoudendheid –13 niet verwacht dat deze oplos singen in de rechtspraak als ‘sucessnummer’ zullen ‘doorbreken’.14 Ik verwijs naar mijn analyse van het Fortis/Bourgonje-arrest in § 1.4.4.2.
Volledigheidshalve wijs ik er nog op dat de hier bedoelde bewijslastverlichting wat mij betreft alleen maar nodig is voor de beleggers die stellen dat zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht.15 Ik acht haar niet nodig voor de beleggers die stellen dat zij ook zonder de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs. Voor de laatstgenoemde beleggers is voor het aannemen van causaal verband mijns inziens immers niet vereist dat hun beleggingsbeslissing door de misleiding is beïnvloed.16 Voor deze beleggers acht ik in beginsel al voldoende dat komt vast te staan dat zij als gevolg van de misleiding hun aandeel tegen een geїnflateerde koers hebben gekocht.17